Port-a-cath

(onderhuidse toegang tot de aderlijke bloedbaan)

Bij patiënten die gedurende een bepaalde tijd veelvuldig geprikt moeten worden voor bijvoorbeeld chemotherapie kan het plaatsen van een onderhuids toegangssysteem tot de aderlijke bloedbaan een uitkomst zijn. Het aanprikken van dit systeem is relatief eenvoudig en maakt het mogelijk om medicijnen toe te dienen, maar ook om bloed af te nemen of te transfunderen. Hieronder volgt in het kort de procedure van het inbrengen.

 

1 2 3 4 5

Onder steriele omstandigheden op de operatiekamer  (1) wordt de ingreep verricht. De patiënt ligt onder steriele doeken, enigszins ongemakkelijk met een opgerold handdoekje tussen de schouderbladen om het aanprikken van de ader onder het sleutelbeen zo makkelijk mogelijk te maken. Een verpleegkundige (2) houdt contact met de patiënt. Met speciaal instrumentarium (3) wordt onder plaatselijke verdoving (4) geopereerd. Het kastje wordt gevuld met fysiologisch zout met daarin een stofje dat het stollen moet voorkomen (5).

6 7 8 9 10

Als het bloedvat is aangeprikt met een naald, wordt door de naald een flexibele voerdraad opgevoerd (6). Hieroverheen wordt een dubbel systeem opgevoerd dat bestaat uit een splijtnaald en een dilatator (bedoeld om het bloedvat en de weke delen eromheen iets op te rekken zodat de catheter er makkelijk doorheen glijdt - (7,8)). Hierna wordt de dilatator verwijderd en wordt in de splijthuls de catheter opgevoerd (9,10).

11 12 13 14 15

Met een röntgenapparaat wordt de positie van de catheter bepaald: vlak boven de uitmonding in de re boezem (11). Hierna wordt de splijthuls uit elkaar getrokken en verwijderd (12,13). Met een spuitje wordt de doorgankelijkheid van de catheter getest, waarna de catheter onderhuids geleid wordt naar de plaats waar het kastje zal komen (14,15).

16 17 18

Een verbinding met het kastje wordt gemaakt en dit wordt vervolgens onderhuids op de borstspier geplaatst (16,17). Na afloop wordt nog een controle röntgenfoto gemaakt (18). Het kastje is onder de huid goed te voelen en kan later met een speciale naald door de verpleegkundige of arts worden aangeprikt.

Als het systeem enige tijd niet gebruikt wordt, moet het geregeld worden doorgespoten met vloeistof om stolling te voorkomen. Als het systeem helemaal niet meer gebruikt wordt, kan het eenvoudig onder plaatselijke verdoving worden verwijderd. Dit is veel minder belastend dan het inbrengen en kan vaak poliklinisch gebeuren.

terug / entree / mammapoli