(Acute Pancreatitis)

Deze folder geeft informatie over de acute ontsteking van de alvleesklier (pancreatitis) en de meest gebruikelijke behandelingsmogelijkheden. Het is goed u te realiseren dat de situatie voor iedereen weer anders kan zijn dan beschreven.
De alvleesklier (het pancreas) is een orgaan dat dwars in de buik ligt. Het is ongeveer vijftien cm lang en één tot drie cm dik. De 'kop' van dit orgaan ligt in de binnenbocht van de twaalfvingerige darm, het 'lichaam' en de 'staart' liggen voor de wervelkolom en de grote bloedvaten achter in de buik. Aan de bovenkant ligt de alvleesklier tegen de maag, aan de onderkant tegen de dunne darm

De alvleesklier is opgebouwd uit cellen, die hormonen maken (onder meer insuline) en uit cellen die enzymen maken, die het voedsel helpen verteren. De alvleesklierhormonen worden afgegeven in het bloed en zorgen ervoor dat het bloedsuikergehalte binnen normale waarden blijft. Als de insulineproductie te laag is, ontstaat suikerziekte (diabetes).
De alvleesklierenzymen zijn van groot belang voor de spijsvertering. Ze komen via een afvoerbuis in de twaalfvingerige darm terecht. Wanneer er te weinig enzymen worden geproduceerd ontstaan er stoornissen in de vertering van suikers, vetten en eiwitten. Dit leidt tot vettige ontlasting.
In de alvleesklier kunnen zich ontstekingsreacties voordoen. Als dat snel en plotseling gebeurt spreekt men van een 'acute' pancreatitis. De ontsteking kan ook milder zijn en zich bij herhaling voordoen. We spreken dan van een 'chronische' pancreatitis, waar in deze folder niet verder op in zal worden gegaan.
De belangrijkste oorzaken van acute pancreatitis zijn:
Overmatig alcoholgebruik
Galwegstenen
Een idiopatische vorm, dat wil zeggen dat er geen duidelijke oorzaak kan worden gevonden.
Bij acute pancreatitis staan meestal klachten van hevige buikpijn en ziek zijn op de voorgrond. Ook rugpijn kan aanwezig zijn, de alvleesklier ligt immers achter in de buik. Het is een ernstige aandoening. De acute pancreatitis heeft in 85% van de gevallen een mild verloop en de sterftekans is daarbij laag (ongeveer 3%). Maar de aandoening kan ook een minder gunstig verloop hebben. Bij 15% van de gevallen ontstaat een ernstig ziektebeeld, waarbij vaak langdurige behandeling op een intensivecare afdeling nodig kan zijn. De sterftekans bij deze zeer ernstige vorm is hoog, variërend van 30% tot 70%.
Complicaties van een pancreatitis
De belangrijkste complicaties van een acute pancreatitis zijn:
Infecties in en om de alvleesklier: deze kunnen een ernstig ziekteverloop tot gevolg hebben met een verhoging van de sterftekans.
Pancreas pseudocyste vorming: dat is een ophoping van ontstekingsvocht, waar na zes weken een kapsel omheen wordt gevormd. De pseudocyste kan blijven bestaan of in de loop van een aantal weken kleiner worden of verdwijnen. Ook kan in de pseudocyste infectie ontstaan of kan de pseudocystewand scheuren.
Bloeding uit bloedvaten in en rondom de alvleesklier.
Welke onderzoeken nodig zijn hangt af van de ernst en het verloop van de aandoening. Meestal kan de diagnose pancreatitis gesteld worden op grond van de klachten van de patiënt, het lichamelijk onderzoek, het laboratoriumonderzoek en een niet-ingrijpend beeldvormend onderzoek, zoals echo of CT-scan.
Eerst wordt geprobeerd met een 'conservatief' beleid de ontsteking tot rust te laten komen. Dat gebeurt door het bovenste deel van het maagdarmstelsel in eerste instantie niets aan te bieden en alle maagsappen via een slang, die via de neus in de maag wordt gebracht, te laten aflopen. Via een infuus wordt vocht toegediend. Voeding wordt gegeven via een infuus of via een slangetje verderop in de darm. Soms worden er medicijnen gegeven.
Zijn galwegstenen de vermoedelijke veroorzakers van de pancreatitis, dan kan in een vroeg stadium een ERCP met papillotomie worden verricht om eventueel aanwezige stenen te kunnen verwijderen. Daarbij wordt een endoscoop (flexibele 'kijkbuis' of 'slang'), via de mond, slokdarm en maag, in de twaalfvingerige darm gebracht en wordt de afvoerbuis van de alvleesklier en de gal opgezocht. Met behulp van een klein slangetje, via de endoscoop in de afvoerbuis gebracht, kan met een röntgencontrastmiddel de afvoerbuis zichtbaar worden gemaakt op een röntgenscherm. Dit onderzoek wordt een Endoscopische Retrograde CholangioPancreaticografie (ERCP) genoemd. Tijdens deze endoscopie kan door middel van een ‘papillotomie’ de afvoermogelijkheid worden verbeterd; de afvoerbuis wordt dan een stukje ingeknipt. Kleine steentjes in gal- of alvleesklierafvoerwegen kunnen via de endoscoop worden verwijderd.
Een ERCP is een invasief onderzoek, een 'ingrijpend' onderzoek, waarbij complicaties als bloeding, infectie en het weer heftiger worden van de pancreatitis kunnen optreden.
Wanneer het ziektebeeld niet met deze middelen in de hand te houden is, kan een operatie nodig zijn. Dat is dan een ernstige situatie bij een ernstig zieke patiënt die meestal op een intensive care verblijft. Soms kan nog geprobeerd worden een lokale ophoping van pus rond de alvleesklier met een door de huid gestoken slangetje af te laten lopen. Is toch een operatie nodig dan wordt daarbij het door de ontsteking vernietigde en afgestorven weefsel verwijderd. Onder deze omstandigheden zijn meestal meerdere operaties nodig in het beloop van de ziekte.
De chirurgische behandeling kan ondersteund worden door antibiotica te geven en eventueel nog andere medicijnen.
De behandeling van pancreas pseudocysten.
Pancreas pseudocysten moeten worden geopereerd wanneer ze groot blijven en na een aantal weken geen neiging vertonen om vanzelf te verdwijnen. De pseudocyste wordt bij zo'n operatie verbonden met de maag of de darm, zodat de inhoud van de cyste daarin kan afvloeien. Soms wordt ook wel eens een drain geplaatst in de holte.
Vragen
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.
Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.
Tot slot
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.
(Chronische Pancreatitis)

Inleiding
Deze folder geeft u informatie over de terugkerende ontsteking van de alvleesklier (chronische pancreatitis) en de meest gebruikelijke behandelingsmogelijkheden. Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven.
De alvleesklier (het pancreas) is een orgaan dat dwars in de buik ligt. Het is ongeveer vijftien cm lang en één tot drie cm dik. De 'kop' van dit orgaan ligt in de binnenbocht van de twaalfvingerige darm, het 'lichaam' en de 'staart' liggen voor de wervelkolom en de grote bloedvaten achter in de buik. Aan de bovenkant ligt de alvleesklier tegen de maag, aan de onderkant tegen de dunne darm (zie tekening).

De alvleesklier is opgebouwd uit cellen die hormonen maken (o.a. insuline) en uit cellen die enzymen maken die het voedsel helpen verteren.
De alvleesklierhormonen worden afgegeven in het bloed en zorgen ervoor dat het bloedsuikergehalte binnen normale waarden blijft. Als de insulineproductie te laag is, ontstaat suikerziekte (diabetes).
De alvleesklierenzymen zijn van groot belang voor de spijsvertering. Ze komen via een afvoerbuis in de twaalfvingerige darm terecht. Wanneer er te weinig enzymen worden geproduceerd ontstaan er stoornissen in de vertering van suikers, vetten en eiwitten. Dit leidt tot vettige ontlasting (die moeilijk uit de WC is weg te spoelen).
In de alvleesklier kunnen zich ontstekingsreacties voordoen. Als dat zich bij herhaling voordoet spreekt men van een chronische pancreatitis. Een onsteking aan de alvleesklier kan ook in korte tijd, plotseling en hevig verlopen. Dan spreekt men van een 'acute' pancreatitis, waar in deze folder niet verder op in zal worden gegaan (zie folder acute pancreatitis).
De belangrijkste oorzaak van een chronische pancreatitis is overmatig alcoholgebruik. In veel gevallen echter kan er geen duidelijke oorzaak worden gevonden.
De chronische pancreatitis is een ziektebeeld dat gekenmerkt wordt door een wisselend verloop. Rustige perioden worden afgewisseld met tijden waarin de symptomen de kop opsteken. De belangrijkste verschijnselen zijn pijnklachten in de buik of in de rug en stoornissen door een tekort aan alvleesklierenzymen en hormonen. De klachten kunnen hinderlijk zijn en steeds vaker terug komen. Na elke ontsteking treedt littekenweefselvorming op, die de afvoerbuis voor alvleeskliersappen kan vernauwen. Dat belemmert de afvloed ervan, waardoor de druk in het orgaan kan toenemen en dat kan weer aanleiding geven tot pijnklachten en hernieuwde ontsteking.
Welke onderzoeken nodig zijn hangt af van de ernst en het verloop van de aandoening. Meestal kan de diagnose chronische pancreatitis gesteld worden op grond van het verhaal van de patiënt, lichamelijk onderzoek, laboratoriumonderzoek en beeldvormend onderzoek, zoals echo of CT-scan.
Allereerst is de behandeling gericht op symptoombestrijding met medicijnen tegen de pijn of om eventuele tekorten aan alvleesklierhormonen of enzymen aan te vullen. Soms is een endoscopische behandeling (ERCP) nodig. Daarbij wordt een endoscoop (flexibele 'kijkbuis' of 'slang'), via de mond, slokdarm en maag in de twaalfvingerige darm gebracht en de afvoerbuis van de alvleesklier en de gal opgezocht. Met een klein slangetje, via de endoscoop in de afvoerbuis gebracht, kan deze met een röntgencontrastmiddel zichtbaar worden gemaakt op een röntgenscherm. Dit onderzoek wordt een Endoscopische Retrograde Cholangio Pancreaticografie (ERCP) genoemd. Tijdens deze endoscopie kan door middel van een ‘papillotomie’ de afvoermogelijkheid worden verbeterd; de afvoerbuis wordt dat een stukje ingeknipt. Kleine steentjes in gal- of alvleesklierafvoerwegen kunnen via de endoscoop worden verwijderd.
Een ERCP is een invasief onderzoek, een 'ingrijpend' onderzoek, waar complicaties als bloeding, infectie en het weer heftiger worden van de pancreatitis bij voor kunnen komen. Vanwege deze risico’s wordt een ‘diagnostische’ ERCP (alleen maar om de diagnose te stellen) steeds minder verricht.
Wanneer de pijnklachten niet meer met medicijnen te regelen zijn, kan een operatie worden voorgesteld.
De operatie
Voor elke operatie aan de alvleesklier moet u worden opgenomen. De duur van de operatie en van het herstel zijn afhankelijk van de ernst van de afwijking.
Bij de operatie kan het verlittekende deel van de alvleesklier verwijderd worden. Ook kan met een operatie de afvoergang van de alvleesklier worden verbonden met een deel van de dunne darm, om een goede afvloed van de alvleeskliersappen te bewerkstelligen.
Mogelijke complicaties van een operatie aan de alvleesklier.
Geen enkele operatie is zonder risico’s. Zo zijn ook bij operaties aan de alvleesklier de normale risico's op complicaties aanwezig, zoals nabloeding, wondinfectie, trombose of longontsteking.
Omdat operaties aan de alvleesklier altijd grote ingrepen zijn, is er een verhoogde kans op die algemene complicaties na een operatie.
Ook kan het restant van de alvleesklier 'lekken' en infecties in de buik veroorzaken of via een fistel (pijpzweer) door de buikwand naar buiten aflopen. Soms zijn meerdere operaties nodig om deze complicaties te behandelen.
De operatie kan soms, in combinatie met de ziekte, leiden tot onvoldoende functie van de alvleesklierrest.
Direct na de operatie bent u door een aantal slangen verbonden met apparaten. Dat kunnen zijn:
Één of twee infusen voor vochttoediening.
Een dun slangetje in uw rug voor pijnbestrijding.
Een sonde door uw neus, die via de slokdarm in de maag ligt en ervoor zorgt dat het overtollige maagsap wordt afgezogen.
Een drain in uw buik voor afvoer van eventueel bloed en inwendig wondvocht.
Een slangetje in de dunne darm voor voeding.
Een blaaskatheter voor afloop van urine.
Afhankelijk van uw herstel na de operatie worden al deze hulpmiddelen verwijderd.
Geleidelijk aan in de loop van de dagen na de operatie gaat het drinken beter en gaat u via vloeibare voeding weer op vaste voeding over. Daar is geen vast schema voor. U krijgt de eerste dagen drinken en eten naarmate uw maagdarmstelsel dat kan verdragen.
Wanneer er weefsel bij de operatie is verwijderd kan na ongeveer een week de uitslag van het weefselonderzoek bekend zijn. Als u de aanwezigheid van een familielid bij het vernemen van de uitslag op prijs stelt, is het verstandig dat van tevoren met uw arts te bespreken. De uitslag van het weefselonderzoek zegt iets over de aard van de aandoening en de uitgebreidheid ervan. Het houdt niet in dat aan de hand daarvan uw vooruitzichten precies kunnen worden voorspeld.
Afhankelijk van de uitgevoerde operatie is er een nabehandeling nodig. Wanneer er - als gevolg van de ziekte in combinatie met de operatie - onvoldoende functionerende alvleeskliercellen over zijn gebleven, zullen tekorten aan enzymen of hormonen moeten worden aangevuld.
Om herhaling van de ziekte te voorkomen zal de oorzaak moeten worden aangepakt. Wanneer alcohol de oorzaak van de pancreatitis is geweest, moet het gebruik definitief gestaakt worden.
Als alles goed gaat kunt u in het algemeen binnen tien tot veertien dagen na de operatie het ziekenhuis verlaten. Bij ontslag krijgt u een afspraak mee voor de poliklinische controle. Wanneer speciale thuishulp (gezinszorg of wijkverpleging) nodig is, wordt die vanuit het ziekenhuis geregeld.
Vragen
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.
Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.
Tot slot
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.