
Mammografie staat voor röntgenonderzoek van de borsten (de mamma). Op borstfoto's zijn hele kleine veranderingen al te zien, soms zelfs als ze nog niet eens voelbaar zijn. Met behulp van dit onderzoek kan de chirurg een beter inzicht krijgen in de aard van de aandoening.
Van elke borst worden twee foto's gemaakt. Voor elke foto wordt de borst tussen twee platen gelegd die stevig worden aangedrukt. Dit stevig aandrukken, dat pijnlijk kan zijn, is nodig om met zo min mogelijk röntgenstralen een scherpe afbeelding van het borstweefsel te krijgen. Laat de laborant(e) weten als de druk te groot wordt. De foto's worden direct ontwikkeld en op kwaliteit beoordeeld.Het kan voorkomen, dat er detailfoto's nodig zijn voor een betere beoordeling. Deze worden dan aansluitend gemaakt.
Om een optimale foto van de borst te kunnen maken, kunt u uw borsten beter niet vlak voor het onderzoek met talkpoeder , bodylotion of crème insmeren. Een gladde borst kan hierdoor namelijk verschuiven tijdens het maken van de foto.
Sommige vrouwen zijn terughoudend in het laten maken van borstfoto’s vanwege het gebruik van röntgenstraling. Deze straling is echter zeer gering en de mogelijkheid om met röntgenfoto’s heel kleine borstafwijkingen te ontdekken, weegt ruimschoots op tegen het risico van de straling. Als u zwanger bent of hierover onzeker bent, dient u dit wel te melden. Röntgenstraling kan schadelijk zijn voor het ongeboren kind.
Ter aanvulling op de mammografie kan een echografie worden gedaan. De belangrijkste reden hiervoor is dat de specialist meer wil weten over een bepaalde plek in de borst waarover de mammografie geen duidelijk antwoord kan geven. Vooral bij jonge vrouwen heeft het borstklierweefsel een dichte structuur, waardoor een mammografie soms moeilijk te beoordelen is.
Bij een echografie wordt een afbeelding van de borsten gemaakt met behulp van geluidsgolven. Dit onderzoek is niet pijnlijk. Voor dit onderzoek brengt de radioloog een speciale gel op de borst aan en strijkt met een apparaatje, dat (onhoorbare) geluidsgolven uitzendt, over de borst.
Dit levert informatie op over de verschillende weefsels in de borst. Op deze manier kan een arts op de monitor bijvoorbeeld een cyste (een blaasje gevuld met vocht) onderscheiden van een andersoortige knobbel.

Wanneer op de mammografie en/ of echografie inderdaad een afwijking te zien is, die nader onderzoek vereist, wordt er een punctie verricht. Dit is het verwijderen van een stukje borstweefsel voor nader onderzoek. Dit gebeurt met een speciale naald aansluitend aan de mammografie en/of echografie op de afdeling radiologie.
Deze punctie kan op meerdere manieren gebeuren, namelijk een mammapunctie onder echo-geleide of een mammapunctie met aanvullende röntgenfoto’s ofwel stereotactische biopsie. Deze punctie wordt gedaan als de mogelijke afwijking met behulp van echografie niet goed zichtbaar is. De radioloog neemt deze beslissing. Beide onderzoeken worden hieronder verder toegelicht.
Echogeleide punctie
Deze punctie kan met een dunne naald uitgevoerd worden. Dit gebeurt o.a. bij het leegpuncteren van een cyste. Meestal zal een dikke naaldbiopsie nodig zijn.
De radioloog zoekt met behulp van echografie de afwijking in uw borst op en markeert deze. Uw borst wordt gedesinfecteerd en plaatselijk verdoofd. Met een mesje maakt de radioloog een sneetje van enkele millimeters om de punctienaald makkelijker in te kunnen brengen. De radioloog brengt nu (onder echogeleide) de punctienaald in uw borst en neemt een stukje borstweefsel weg. Meestal meerdere stukjes borstweefsel om er zeker van te zijn dat de patholoog voldoende borstweefsel heeft om onder de microscoop te onderzoeken.
Afhankelijk van de bevindingen van het beeldvormend onderzoek, kan het voorkomen dat er ook een punctie uit de oksel wordt verricht. Indien dit bij u het geval is, zal de radioloog u hierover informeren.
Stereotactische biopsie
Voor deze punctie wordt een aparte afspraak gemaakt. Het is meestal niet mogelijk om deze punctie aansluitend op de andere onderzoeken te laten plaatsvinden.
Net als bij het maken van een mammografie, wordt de borst op een steunplaat gelegd en aangedrukt. Dit kunt u als pijnlijk ervaren, maar hoeft niet altijd het geval te zijn. Er worden twee nieuwe mammafoto’s van de desbetreffende borst gemaakt. Deze zijn nodig om te bepalen waar de aanvullende, meer gedetailleerde foto’s (stereotactische foto’s) van gemaakt moeten worden. Dit gebeurt zittend. Het is belangrijk dat u gedurende het onderzoek goed stil blijft zitten. Het inbrengen van de punctienaald dient zeer nauwkeurig te gebeuren.
Met behulp van een computerberekening wordt de plaats en de diepte bepaald waar de punctienaald in het borstweefsel dient te komen. Vervolgens maakt de radioloog met een mesje een sneetje van een paar millimeters. Daarna brengt hij de punctienaald in de borst en neemt borstweefsel bij u weg, meestal meerder stukjes om er zeker van te zijn dat de patholoog voldoende borstweefsel heeft om onder de microscoop te onderzoeken.
Tijdens een kleine operatie wordt op de operatiekamer onder narcose weefsel
weggenomen om meer duidelijkheid te krijgen of de afwijking goed- of kwaadaardig
is. Bij een biopsie maakt de chirurg een sneetje in de borst en neemt daarbij
een afwijkend stukje weefsel weg. Dit stukje weefsel wordt onder de microscoop
onderzocht. Per situatie is het verschillend of een biopsie onder plaatselijke
of algehele narcose plaatsvindt en of opname van een dag in het ziekenhuis nodig
is.
Het kan zijn dat op de röntgenfoto's (bijvoorbeeld gemaakt bij het
bevolkingsonderzoek naar borstkanker) een verdachte afwijking is geconstateerd,
die niet voelbaar en niet echografisch zichtbaar is. Ook kan het zijn dat
er een afwijking is geconstateerd die men microscopisch wil onderzoeken alvorens
de volgende stappen te nemen.
In dat geval zal voorafgaand aan de operatie de plek met behulp van een
metalen draadje worden aangegeven. Met behulp van het mammografieapparaat wordt
dit metalen draadje op de juiste plek aangebracht. Hierdoor kan de chirurg
precies zien welk stukje weefsel moet worden verwijderd. Dit gebeurt enkele uren
of daags voor de biopsie (dus voor de narcose) op de röntgenafdeling en is onaangenaam.
De lokalisatieprocedure kan op twee verschillende manieren uitgevoerd worden.
Om de afwijking in de borst goed te kunnen afbeelden is het belangrijk dat u goed
zit. Er is een stoel met verstelbare
leuningen en voetensteun (neemt u pantoffels of dikke sokken mee tegen koude
voeten).
Van de betreffende borst wordt een opname gemaakt, vergelijkbaar met eerdere
foto’s van de borst. De borst blijft nu echter wel in het apparaat geklemd
maar minder strak. Deze opname wordt gemaakt om te zien of de plek waar het om
gaat er goed op staat. Hierna worden 2 stereo-opnamen gemaakt; dit is om de
exacte plaats en diepte te bepalen.
Nu wordt de borst gedesinfecteerd en er kan plaatselijk verdoving worden
gegeven. Dan wordt de lokalisatienaald ingebracht en tenminste een
controleopname gemaakt. Daarna wordt de naald voorzichtig verwijderd en blijft
een draad die zich in de naald bevindt in de borst achter. Deze kan niet meer
verschuiven door een speciale constructie. De druk op de borst wordt nadien
opgeheven. Op het metalen draadje wordt een pleister geplakt. Eventueel nog een
extra pleister om het uiteinde te fixeren. Er worden tot slot nog twee controle
foto’s gemaakt van de borst, met geringe druk.
De constructie van het röntgentoestel is zo dat het niet te voorkomen is
dat tijdens deze procedure het hoofd continue naar rechts of links gedraaid
tegen het röntgenapparaat rust. Tevens dient het bovenlichaam tegen het
borstplateau gedrukt te blijven. Dit is erg belangrijk voor een snelle voortgang
van het onderzoek. De gehele procedure zal op die manier ongeveer 30 minuten in
beslag nemen.
Nadat het draadje is aangebracht gaat u
naar
de afdeling en neemt U de foto’s mee voor de operatieafdeling.
Een andere methode is een lokalisatiedraad onder echogeleide aan te brengen. Dit ter beoordeling van de radioloog. Als de afwijking niet te voelen is, maar wel te zien met echografie en verwijderd moet worden door de chirurg voor verder onderzoek door de patholoog.
Dit onderzoek gebeurt in liggende houding, waarbij de betreffende plek met behulp van de echokop bekeken wordt. Op deze manier wordt dan de lokalisatiedraad geplaatst. De procedure kan alleen op deze manier plaats vinden als de afwijking met de echo gezien kan worden. Dit is dikwijls niet het geval.