(Behandeling van gebroken botten)

Deze
folder geeft u een globaal overzicht van de klachten en de behandeling van een
gebroken bot. Het is goed u te realiseren dat
voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven.
We spreken van een fractuur
wanneer een bot gebroken is. Dit kan uiteenlopen van een scheurtje in het bot
tot een volledige verbrijzeling ervan. In alle gevallen zult u pijn hebben, er
ontstaat een zwelling door de bloeduitstorting bij de breuk en normale
bewegingen zijn vaak niet meer mogelijk.
De keuze van de behandeling is mede afhankelijk van een aantal factoren te weten:
|
Welk bot is gebroken? | |
|
Wat voor soort breuk is het? | |
|
Is het gewricht erbij betrokken? | |
|
Hoe is de toestand van de weefsels in de directe omgeving? | |
|
Hoe is de algehele toestand van de patiënt? |
Voor de behandeling van fracturen staat een groot aantal methoden ter beschikking:
|
Er is eigenlijk geen behandeling nodig. | |
|
Gipsbehandeling. | |
|
Een operatieve behandeling. | |
|
Verschillende tussenvormen. |
Niet alle botbreuken
hebben een behandeling nodig in de zin van gips of operatie, (bijvoorbeeld
gebroken ribben of vingertoppen) omdat ze na verloop van tijd spontaan genezen.
Soms is ook bij breuken van het sleutelbeen, een vinger of de middenhandsbeenderen
slechts tijdelijk wat rust geboden waarna in een vroeg stadium weer geoefend kan
worden. Hetzelfde geldt voor sommige typen van wervel- en bekkenfracturen.
Hiermee
wordt beoogd de gebroken botstukken (eventueel nadat de breuk is gezet) zo goed
mogelijk op hun plaats te houden. Het gips wordt in principe eerst aangelegd als
een soort spalk. Dit is nodig om de zwelling ten gevolge van de bloeduitstorting
goed de ruimte te geven zodat de bloedsomloop in de arm of het been niet wordt
belemmerd.
Zodra
de zwelling is afgenomen kan, indien nodig, het gips helemaal rondom gemaakt
worden. Ook kan het in een latere fase worden aangepast; zo wordt het
bijvoorbeeld bij een breuk aan het been uitgebreid tot een loopgips. Vaak zal in
deze eerste fase bij herhaling een röntgenfoto gemaakt worden om te
controleren of de botstukken nog wel goed op hun plaats zijn gebleven.
De
gipsbehandeling komt vooral in aanmerking voor breuken waarbij de botstukken
niet of slechts weinig van hun plaats zijn gegaan en bij kinderen.
Aan
de gipsbehandeling kleven enkele bezwaren die samenhangen met het feit dat
behalve het gebroken botstuk ook de aangrenzende gewrichten veelal moeten
worden ingegipst. Dit resulteert in verslapping van de spieren, verstijving
van de gewrichten en ontkalking van de botten.
Deze behandeling is onder andere ontwikkeld om de nadelen van de gipsbehandeling te voorkomen. Dit wordt langs operatieve weg bereikt door de gebroken botstukken zo stevig aan elkaar te bevestigen, dat het been of de arm direct na de operatie geoefend kan worden. Het gevolg is dat de spieren stevig blijven, de gewrichten soepel en dat het bot niet ontkalkt. Voor de operatieve behandeling zijn vele technieken ontwikkeld:
|
Het aanbrengen van een plaat met schroeven op het gebroken botstuk. (beeldverslag) | |
|
Het aanbrengen van schroeven in het gebroken botstuk. (beeldverslag) | |
|
Pennen door de mergholte van het bot. | |
|
Pennen die door de huid heen in het bot worden geboord en dan buiten het been of arm stevig met elkaar worden verbonden (externe fixatie). | |
|
Het vervangen van een afgebroken botdeel door een prothese. |
Ook aan de operatieve behandeling kleven nadelen. Er moet geopereerd worden, waar een verdoving of zelfs narcose voor nodig is. De operatie betekent toch een extra beschadiging van met name de weefsels rondom het bot. Alle risico’s die voor alle andere operaties gelden, gelden ook hier (bijvoorbeeld wondinfectie, bloeding, trombose, embolie, longontsteking en blaasontsteking). In veel gevallen moet het materiaal ook weer verwijderd worden nadat de breuk genezen is. Dit betekent dat u dan nog een keer geopereerd moet worden.
De
behandelend arts kan u uitleggen waarom hij voor een bepaalde techniek kiest.
Tussenvormen
Dit
zijn behandelingsvormen waarbij, bijvoorbeeld door middel van gewichten, aan het
been getrokken kan worden om zo de botstukken ten opzichte van elkaar op hun
plaats te houden. Het been kan dan op een speciale slede liggen, al of niet in
een gipsspalk. Deze methode kan ook gebruikt worden als voorlopige behandeling
totdat de omstandigheden (bijvoorbeeld de toestand van de weefsels in de
omgeving van de breuk) een andere definitieve behandeling mogelijk maken,
bijvoorbeeld gips of een operatie.
De behandelend arts kan u
vertellen wat voor u op dat moment de beste behandeling is.
Geen enkele behandeling is zonder risico’s.
Behalve de reeds genoemde gevaren, die min of meer samenhangen met de gekozen behandeling zijn er nog twee complicaties het bespreken waard:
|
De breuk geneest trager dan normaal (delayed union) of wil helemaal niet genezen. | |
|
Posttraumatische dystrofie of complex regionaal pijnsyndroom. |
De
breuk geneest trager dan normaal (delayed
union) of wil helemaal niet genezen
We spreken van een vertraagde genezing wanneer een breuk niet vast is gegroeid in de tijd die daar gemiddeld voor staat. De oorzaak van een dergelijke complicatie is meestal gelegen in de ernst van de fractuur en van de beschadiging van de omringende weefsels. Wanneer de gebroken botstukken onvoldoende van bloed worden voorzien zal de breuk niet of met ernstige vertraging genezen. Een andere mogelijke oorzaak is een infectie of onvoldoende stabilisatie van de botbreuk.
Een
vertraagde genezing zal veelal leiden tot nieuwe ingrepen. Tegenwoordig is als
alternatief stimulatie van de botgroei mogelijk met schokgolven of
elektromagnetische velden. Mocht ook dit niet leiden tot genezing van het bot,
dan zal operatief ingegrepen moeten worden, waarbij vaak bottransplantatie
nodig is.
Posttraumatische
dystrofie - ook wel ‘complex regionaal pijnsyndroom’
genoemd - is een onbegrepen
aandoening, die optreedt na een relatief gering letsel of operatie aan een arm
of been. Bij deze aandoening kunnen alle weefsels betrokken raken. Het kan
geduid worden als een abnormaal sterke reactie van het lichaam op een letsel of
operatie. De ontstaanswijze van posttraumatische dystrofie is nog niet goed
bekend en over de behandelingsmogelijkheden bestaat geen algemeen heersende
overeenstemming. Bij de posttraumatische dystrofie kunnen een aantal
verschijnselen optreden. De gekwetste plek wordt dik, rood, warm (of juist
koud!) en zeer pijnlijk. In de loop van de tijd kan de pijn toenemen. Als het
langer bestaat wordt de arm of het been langzaam stijf en kan er een doof gevoel
ontstaan. Ten slotte kan dit in het ergste geval leiden tot een totale
bewegingsbeperking.
Zie voor verder informatie de folder
‘Posttraumatische Dystrofie’.
Vragen
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.
Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.
Tot slot
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of
onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.
![]()

Inleiding
U
hebt op de afdeling Spoedeisende Hulp of op de gipskamer een (kunststof)
‘gips’verband gekregen. Deze folder informeert u hoe u hiermee moet omgaan,
waar u rekening mee moet houden bij de verwijdering van het (kunststof)gips, wat
u moet doen bij klachten en waar u terecht kunt met vragen.
Het
is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan
beschreven.
U
hebt een ‘gips’verband om uw arm of been gekregen. Een verband van kunststof
of gips zorgt ervoor dat het deel in het ‘gips’ rust krijgt en niet meer kan
bewegen. Bij een botbreuk bijvoorbeeld zorgt zo’n verband ervoor dat de botten
in de goede stand blijven staan en kunnen genezen, bij een beschadigd gewricht
of bij beschadigde pezen zorgt het dat deze rust krijgen.
Hieronder
volgen enkele tips:
|
Stevigheid: |
Gips is pas na 48
uur hard.
De eerste 2 dagen moet u er dus voorzichtig mee zijn. Laat het gips niet op
een harde rand rusten, maar op een zachte onderlaag. Circulair kunststofgips
is al na 30 minuten volledig hard en u hoeft dus minder lang voorzichtig te
zijn.
|
Gips en water: |
Gips mag niet nat worden. Circulair kunststofgips kan wel tegen
water, maar de katoenen kous en watten eronder niet. Bescherm het gips of
kunststofgips dus bij het douchen met een plastic zak of een speciale badkous.
Een plastic zak kunt u met een pleister waterdicht afplakken op uw huid. Een
speciale douchehoes is verkrijgbaar op de gipskamer. Voor deze badkous moet u
betalen (ziektekostenverzekeraars vergoeden die meestal niet). Douche zo kort
mogelijk.
|
Zwelling: |
Vooral in de eerste week is het
belangrijk dat u uw ingegipste arm of been omhoog houdt om te zorgen dat de
bestaande zwelling afneemt en voorkomt u dat de zwelling toeneemt.
|
Oefeningen: |
Het is belangrijk dat u oefeningen doet om de bloedsomloop te stimuleren, niet ingegipste gewrichten soepel te houden en de spierkracht zo veel mogelijk te behouden. Probeer de volgende oefeningen enkele malen per dag te doen en minimaal vijf keer achter elkaar.
|
Armoefeningen: maak drie tellen lang een stevige vuist, strek de vingers vervolgens 3
tellen. Draai rondjes met de schouder: ga in een iets voorovergebogen houding
staan en maak een beweging alsof u ouderwets koffie maalt. Als de elleboog niet
is ingegipst: strek en buig de elleboog dan. | |
|
Beenoefeningen:
trek de tenen naar u toe (richting van uw neus) gedurende 3 tellen, druk
ze hierna 3 tellen lang van u af. Til zittend het gestrekte been gedurende 3
tellen op. Indien de knie niet is ingegipst: buig en strek de knie dan. |
|
Elleboogkrukken: |
Een gipsspalk mag u niet belasten,
omdat die dan breekt. U mag dus niet lopen of staan zonder het gebruik van
krukken. U krijgt een recept, waarmee u elleboogkrukken kunt lenen bij de
thuiszorg.
|
Loopgips: |
Als u loopgips hebt, zorg dan dat
u met het ingegipste been niet gaat slepen. Loop daarom
zo normaal mogelijk. Omdat u uw enkel niet kunt gebruiken, moet u met kleine
stapjes lopen. Onder het loopgips is in het algemeen een zool bevestigd, die u
kunt losmaken wanneer u naar bed gaat. Deze zool is vaak dikker dan de zool van
uw schoenen. Om te zorgen dat u hiervan bij het lopen geen last hebt, kunt u aan
het niet ingegipste been een schoen dragen met een zool of hak van vergelijkbare
dikte of hoogte.
|
Jeuk en huidbeschadiging: |
Jeuk
wordt meestal veroorzaakt door vocht tussen de huid en het gipsverband. Als u
last krijgt van jeuk, kunt u dit bestrijden door de ruimte tussen de huid en het
gipsverband voorzichtig droog te föhnen (pas op, niet te warm in verband met
verbranding !!). Ook is er een anti-jeuk spray voor gipsverbanden verkrijgbaar
op de gipskamer of uw apotheek. Gebruik in elk geval geen scherpe voorwerpen
zoals een breinaald om de jeuk te bestrijden. Dit kan ernstige
huidbeschadigingen veroorzaken. Huidbeschadigingen kunnen ook ontstaan door
kleine voorwerpen die tussen het gips en uw huid terecht komen. Vooral kleine
kinderen hebben de neiging speeltjes in het gips te verstoppen.
|
Maatregelen tegen trombose: |
Wanneer er op
medische gronden geen bezwaren zijn, worden bij een gips om een been vaak
bloedverdunnende medicijnen voorgeschreven tegen trombose. Dat is verstandig bij
een bovenbeensgips, maar soms ook bij een onderbeensgips. Het kan in de vorm van
tabletten, maar ook in de vorm van injecties onder de huid. Dat laatste kan u
worden aangeleerd of wijkverpleeghulp wordt daarvoor ingeschakeld.
Neem
telefonisch contact op, wanneer ondanks het hoog houden van uw been of arm:
|
Uw vingers of tenen gaan
tintelen, dik worden, of paars-blauw verkleuren. | |
|
U uw vingers of tenen niet of
nauwelijks kunt bewegen. | |
|
Het gipsverband pijn
veroorzaakt of knelt (pijn op de plaats van de breuk is meestal niet
verontrustend). | |
|
Uw gips gebroken is. In geval
van een loopgips mag u het gips dan niet meer belasten. | |
|
Uw gips nat en slap geworden
is. |
Als
u naar het ziekenhuis komt omdat het onderbeensgips na een behandelingsperiode
eraf mag, dan raden wij u aan een veterschoen of andere stevige schoen mee te
nemen. Wellicht mag u dan namelijk weer gaan lopen.
Bij
het verwijderen van circulair gips of kunststofgips van het been is het
belangrijk dat u elleboogkrukken meeneemt, omdat de kans groot is, dat na een
gipsbehandeling uw spieren en gewrichten stijf zijn geworden en u dus nog niet
goed kan of mag lopen op het aangedane been.
Kort
na het verwijderen van een circulair gips of kunststofgips van het been kan er
zwelling optreden van het been. Omdat tegen te gaan krijgt u een elastische
kous. Voor de arm geldt dit in mindere mate.
Als
er na het verwijderen van het gips zwelling ontstaat, neemt deze in de loop van
de dag toe en is ‘s avonds het sterkst. Dit is niet verontrustend, de
zwelling verdwijnt langzamerhand vanzelf. U kunt de klachten verminderen door
het been of de arm niet te veel te belasten en hoger te leggen of overdag een
elastische kous te dragen ('s nachts afdoen).
Heeft
u nog vragen, stel ze gerust aan de arts of aan de gipsverbandmeesters op de
gipskamer. Hebt
u tijdens de behandeling vragen of
problemen neem dan contact op met de gipskamer. Is
buiten kantooruren contact met het ziekenhuis nodig, neem dan telefonisch
contact op.
Bel: 0299-457134 en vraag naar de gipsmeester.
Bent
u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen
wij dat graag.
![]()

Een polsbreuk is een veel voorkomende botbreuk bij kinderen. Deze folder geeft u informatie over de behandeling van de polsbreuk. Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven.
De pols is het gewricht dat wordt gevormd door de handwortelbeentjes in de hand en de twee onderarmsbotten; het spaakbeen en de ellepijp.
Het bot van kinderen is veel elastischer dan het bot van een volwassene en is omgeven door het beenvlies, dat bij kinderen taai en dik is. Kinderbot is te vergelijken met een jonge boomtak (twijg).
Vaak blijft de botbreuk van kinderen beperkt tot het bot zelf, waarbij het beenvlies nog heel blijft.
Deze breuksoort wordt wel een groene-tak-breuk of twijgbreuk genoemd. Bij meer dan de helft van de polsbreuken bij kinderen is er sprake van zo'n twijgbreuk en is er slechts weinig verplaatsing van de botdelen. Soms is er alleen een breukje in het spaakbeen, soms ook in de ellepijp. In de meeste gevallen is de stand van de botdelen goed (alleen een klein knikje) en is het 'zetten' van de breuk niet nodig. Als ook het beenvlies is gescheurd, dan kan er verplaatsing van de botdelen zijn en is 'zetten' van de breuk wel nodig.
De behandeling
| Als bij binnenkomst op de SEH blijkt dat uw kind naar alle waarschijnlijkheid een botbreuk heeft, dan wordt zo snel mogelijk pijnstilling gegeven in de vorm van een drankje of een zetpil. Uw kind zal daardoor tijdens het onderzoek en de behandeling minder pijn hebben. | |
| Indien de röntgenfoto geen belangrijke verplaatsing van het bot laat zien, wordt er alleen een gips rond hand en onderarm aangelegd. Een kleine knikstand wordt soms zo gelaten, omdat kinderbot binnen enkele maanden weer volledig 'rechttrekt'. | |
| Als de breuk gezet moet worden zal afhankelijk van de behandeling meer pijnstilling nodig zijn of een verdoving nodig zijn. Als een volledige anesthesie (narcose) nodig is, dan is het soms noodzakelijk dat uw kind een nacht in het ziekenhuis blijft. | |
| Na het zetten komt er gips om de hand en de onderarm. Hierna wordt een controle röntgenfoto gemaakt. Als blijkt dat het bot nog niet goed staat, wordt de pols opnieuw gezet. |
Uw kind gaat mee naar huis met een draagdoek (mitella), zodat de pols rust krijgt. De draagdoek kan 's nachts af. Rust is belangrijk voor een goede genezing en vermindert de pijn. U krijgt vaak een recept mee voor een pijnstiller voor de eerste nacht. De volgende dag is de pijn meestal al veel minder. Indien uw kind teveel pijn houdt, wordt u verzocht contact op te nemen met de SEH (spoed eisende hulp).
Bij controle van de breukgenezing kan een controle röntgenfoto nodig zijn. Meestal wordt geen controle röntgenfoto gemaakt en soms wordt een nieuw gipsverband aangelegd.
Dit hangt af van de soort breuk. Bij een twijgbreuk is 1 tot 2 weken voldoende. Bij een uitgebreidere breuk is 4 weken meestal voldoende.
Als de breuk zover is genezen dat gips niet meer nodig is, dan is het raadzaam nog minimaal 2 weken te wachten voordat sport of gymnastiek wordt hervat. Zwemmen mag al direct nadat het gips werd verwijderd. Uw arts geeft hierover zo nodig nog adviezen.
Zodra u bemerkt dat de draagdoek niet meer nodig is, hoeft deze niet meer gedragen te worden.
Het is meestal raadzaam de draagdoek tijdens bijvoorbeeld schoolgaan van een kind toch te laten dragen, zodat duidelijk is dat er wat aan de hand is.
In het algemeen mag een kind de hand en arm zoveel gebruiken als het zelf wil. Sport en spel dienen echter vermeden te worden, omdat het kind dan niet zelf in de hand heeft wat er met de arm gebeurt.
Altijd bestaat de kans dat bij de controle de breuk niet meer goed blijkt te staan. Het is dan soms onvermijdelijk dat het bot opnieuw wordt gezet, of dat de behandeling moet worden gewijzigd.
In sommige gevallen is de breuk genezen in een lichte hoekstand. Soms is dit zelfs duidelijk te zien. Hierover behoeft u zich geen zorgen te maken. Binnen enkele maanden zal het bot weer volledig 'rechtgroeien'. Is de breuk genezen, dan is de kans op een nieuwe breuk op dezelfde plaats niet groter dan vroeger.
Vragen
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.
Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.
Tot slot
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.
![]()

Inleiding
Deze folder geeft u informatie over de behandeling van de polsbreuk. Een polsbreuk is een van de meest voorkomende botbreuken. Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven.
De pols
De pols is het gewricht dat wordt gevormd door de handwortelbeentjes in de hand en de twee onderarmsbotten, het spaakbeen en de ellepijp (zie tekening 1).
1
2
De breuk
Bij een polsbreuk is er een breuk van het spaakbeen, ellepijp of beide botten nabij de pols. Soms betreft het alleen een scheurtje in het bot, maar vaak is er verplaatsing van de botstukken (zie tekening 2). Behalve een letsel van het bot is er ook altijd letsel van de zogeheten weke delen, zoals pezen, spieren en eventueel vaten en zenuwen.
Behandeling
Indien er geen belangrijke verplaatsing van de botstukken is, dan wordt alleen een gipsspalk aangelegd. Indien de botstukken te veel verplaatst zijn, dan moet het bot worden “gezet” (teruggeplaatst). Dit gebeurt meestal onder plaatselijke verdoving door in het gebied van de breuk verdovingsvloeistof te spuiten. Deze verdoving werkt ongeveer een uur. Na het zetten van het bot wordt een gipsspalk aangelegd en wordt een röntgenfoto gemaakt om te controleren of de juiste stand is bereikt. Als een juiste stand niet wordt bereikt kan soms een operatie nodig zijn. Voor meer informatie, zie de folder “Behandeling van fracturen”.
Na de behandeling
U gaat naar huis met een draagdoek (mitella), zodat de arm rust krijgt. Deze draagdoek kan 's nachts af en om uw arm dan rust te geven, kunt u deze op een kussen leggen.
U krijgt een recept mee voor een pijnstiller. Let op: wanneer u bloedverdunnende medicijnen gebruikt, moet u dit aan de arts melden, zodat deze bij het voorschrijven van een pijnstiller hier rekening mee kan houden!
De volgende dag moet u minder pijn hebben. Als de voorgeschreven pijnstilling niet voldoende is of als u na drie dagen nog steeds niet zonder kunt, wordt u verzocht contact met ons op te nemen.
U krijgt een afspraak voor controle op de polikliniek chirurgie. Vaak wordt bij deze eerste controle een röntgenfoto gemaakt en krijgt u een nieuw / extra gips aangelegd.
Hoeveel weken gips
Dit is afhankelijk van het soort breuk en varieert van 3 tot 6 weken.
Verdere adviezen
| Het is niet zo dat de hand en vingers stijf worden als u deze tijdens de periode in gips niet beweegt. Bewegen is goed, maar het belangrijkste is dat u geen pijn heeft. | |
| Als het u geen pijn veroorzaakt mag u met de vingers en de hand doen wat het gips toelaat. | |
| Als u bemerkt dat de draagdoek niet meer nodig is en uw hand is niet dik meer, hoeft u deze niet meer te gebruiken. Dit is vaak al na 1 of 2 weken het geval. | |
| Het is goed de elleboog en de schouder voldoende in beweging te houden. Echter ook hierbij geldt: het mag u geen pijn veroorzaken. |
Voor meer informatie, zie de folder “Gipsverband”.
Mogelijke Complicaties
Er bestaat een kans dat de botstukken na enkele dagen alsnog of opnieuw verplaatsen of dat bij de volgende poliklinische controle blijkt dat de breuk niet meer goed staat. In die gevallen moet de pols opnieuw gezet worden of is een operatieve behandeling nodig.
Verder is er kans op het ontstaan van een Posttraumatische Dystrofie (voor meer informatie zie de folder ‘Posttraumatische Dystrofie’). Dit is een ziektebeeld dat gepaard gaat met pijn, zwelling en verkleuring van de hand en vingers. Het is van belang dat een aangepaste behandeling snel wordt gestart als dit probleem lijkt te ontstaan. Dus: als u denkt dat het niet beter gaat maar juist slechter, neem dan contact op met het ziekenhuis of de behandelend arts.
U moet er rekening mee houden dat u zeker meer dan 6 weken nodig heeft, voordat u de pols weer redelijk goed kunt gebruiken. Volledig normaal en pijnvrij gebruik van de pols zal meestal pas na 3 maanden worden bereikt. Soms kan na de gipsbehandeling hulp van een fysiotherapeut nodig zijn.
Vragen
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.
Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.
Tot slot
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.
![]()
(Clavicula fractuur)

Deze folder geeft u informatie over de behandeling van een sleutelbeenbreuk (clavicula fractuur). Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven.
De sleutelbeenbreuk is één van de meest voorkomende botbreuken. Het is (gelukkig) bijna altijd een gemakkelijk genezende botbreuk. Er doen zich zelden complicaties voor. De behandeling is eenvoudig; enige weken rust is alles wat nodig is.
Diagnose en onderzoek
Omdat het sleutelbeen door zijn ligging zo makkelijk is te onderzoeken, kan de arts na zijn onderzoek meestal met zekerheid vaststellen of uw sleutelbeen gebroken is. Het is dan niet nodig om een röntgenfoto te maken! Het maakt voor de behandeling ook niet uit hoe het bot nu precies gebroken is.
De behandeling
De behandeling van een sleutelbeenbreuk is conservatief (= geen operatie). Rust wordt gegeven door middel van een mitella (= draagdoek).
Bij kinderen is er meestal een "greenstick " breuk (= twijgbreuk). Het beenvlies is daarbij nog heel en alleen het bot daarbinnen is gebroken (meestal alleen geknakt). Het dragen van de mitella is maar één tot drie weken nodig. 's Nachts hoeft de mitella niet om. Wanneer het kind weinig of geen last meer heeft, is de mitella niet meer nodig. De functie van schouder en arm herstelt doorgaans binnen enkele weken volledig. Het is verstandig sport en gymnastiek pas 6 weken na het ongeval te hervatten.
Rust bevordert de genezing. Door middel van een mitella is er voldoende rust voor een goede genezing. Indien er een sterk afwijkende stand bestaat, wordt dit in de loop van de eerste week meestal minder.
In het algemeen dient een mitella 3 tot 5 weken te worden gedragen. De laatste 2 weken hoeft dat niet de gehele dag meer. Tijdens douchen/baden en 's nachts kan de mitella worden afgedaan.
Om verstijving van de schouder te voorkomen moet u zodra het mogelijk is draaioefeningen doen met de schouder. Dat doet u door het bovenlichaam voorover te buigen, zodat de arm in de mitella vrij komt te hangen en u draaiende bewegingen kunt maken met de schouder. Bij deze oefening lijkt het alsof u in een grote pan roert, waarbij u in de loop van de tijd de pan steeds groter 'maakt'. Ook is het verstandig tijdens de gehele periode zo nu en dan de arm uit de mitella te doen en de elleboog even te strekken.
Algemene regel: "luister " naar de pijn. Indien u geen pijnklachten meer heeft, is de mitella niet meer nodig. Alles wat mogelijk is, zonder dat dit pijn veroorzaakt, is toegestaan.
Na 4 tot 6 weken dient de arm weer goed boven het hoofd bewogen te kunnen worden. Indien dit niet lukt is het raadzaam contact op te nemen met uw huisarts of specialist. Deze kan dan beoordelen of fysiotherapeutische hulp nodig is.
Na 6 weken is de breuk zodanig genezen, dat de meeste arbeid weer verricht kan worden.
Zware lichamelijke arbeid, waarbij de schouder veel wordt belast, zal misschien enkele weken langer moeten wachten.
Na de genezing van de breuk kan een verdikking van het bot ter plaatse van de breuk zichtbaar blijven. Ook kan de schouder wat verkort zijn, omdat het sleutelbeen door de breuk korter is geworden. Op de functie van de schouder heeft dat doorgaans geen enkel invloed.
Eventuele operatie
Slechts in uitzonderingsgevallen is er een indicatie (= reden) voor een operatie. Een reden voor een operatie kan zijn dat een botstuk door de huid dreigt heen te gaan. Een (sterk) afwijkende stand alleen is in het algemeen geen goede reden voor een operatie. De nadelen van een operatie (ontsierend litteken, infectiekans) wegen niet op tegen de voordelen (standcorrectie).
Tegen de pijn is over het algemeen een eenvoudige pijnstiller voldoende (bijvoorbeeld paracetamol of diclofenac).
Er is meestal geen reden voor een poliklinische controle bij een specialist. Het is niet nodig met röntgenonderzoek vast te stellen dat de breuk genezen is. Bij twijfel kan de huisarts of de specialist aan de hand van lichamelijk onderzoek vast stellen of de genezing goed verloopt.
Het kan gebeuren dat de sleutelbeenbreuk niet geneest. Bij het ontbreken van klachten hoeft dat geen consequenties te hebben. Bij klachten kan wellicht met een botgroeistimulator (laag gedoseerd ultrageluid of electromagnetische velden) alsnog genezing worden bereikt. Indien dit niet helpt, zal alsnog een operatie noodzakelijk zijn.
Vragen
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend (eerste hulp)arts of huisarts.
Bij dringende vragen of problemen over uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de verdere behandeling plaats moet vinden.
Tot slot
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.
![]()
(Fixateur externe)

Inleiding
Deze folder geeft u informatie over het gebruik en de verzorging van uitwendig fixatie materiaal voor uw botbreuk. Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven.
Uitwendig fixatie materiaal
Er is besloten uw botbreuk te behandelen met uitwendig fixatie materiaal, een zogenaamde fixateur externe. Een fixateur externe is een metalen raamwerk, waarmee de botstukken van uw botbreuk in de gewenste stand gehouden worden.
De behandeling met een fixateur externe
Voor een aantal typen botbreuken (zoals de ingewikkelde polsbreuken) is de fixateur externe de behandeling van eerste keus. Ook kan de chirurg de fixateur externe gebruiken als een tijdelijke oplossing voor het op de plaats houden van een breuk. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer er meerdere botten gebroken zijn, of als er daarbij ook nog ander ernstig lichamelijk letsel aanwezig is.
Voorts kan de fixateur externe gebruikt worden om een gewricht in de gewenste stand te houden (bijvoorbeeld ter voorkoming van een spitsvoet) of wanneer er verwondingen aan de huid, spieren of bloedvaten zijn en we het maken van nieuwe wonden bij de operatie willen voorkomen. Ook kan bij ernstige verwondingen de arm of het been aan een fixateur externe worden opgetild, zodat de wonden makkelijker te verzorgen zijn. In sommige gevallen wordt de fixateur externe gebruikt als hulpmiddel bij botverlenging.
De operatie
Bij de operatie worden een aantal metalen pennen door de huid in het bot geschroefd. Met verbindingsstaafjes worden deze pennen met elkaar verbonden, zodat een raamwerk ontstaat. Vervolgens wordt de botbreuk in de juiste stand gebracht waarna het raamwerk wordt vastgedraaid.
Mogelijke complicaties
Geen enkele operatie is zonder risico’s. Zo is ook bij deze operatie de normale kans op complicaties aanwezig, zoals (na)bloeding, infectie, trombose en dergelijke.
Daarnaast zijn er nog specifieke complicaties mogelijk. De meest voorkomende complicatie van de fixateur externe is een infectie rondom de pennen, die door de huid in het bot zijn geschroefd (pengat infectie). Daarbij kan er roodheid en pusuitvloed zijn ter plaatse van de pennen in de huid. Meestal is de infectie eenvoudig te verhelpen door de pengaten regelmatig goed schoon te maken. Soms ontstaat er een abces onder de huid. Dit moet dan onder lokale verdoving ontlast worden met een kleine snee in de huid bij de pen. Antibiotische behandeling van een pengat infectie is doorgaans niet zinvol, wel als de infectie zich uitbreidt in de huid of in het bot. Soms moeten bij een ernstige pengat infectie de pennen verwijderd of verplaatst worden. Om een pengat infectie te voorkomen is het van belang dat de fixateur externe goed wordt verzorgd.
Na de operatie
Twee á drie dagen na de operatie kunt u dagelijks weer onder de douche. Na het douchen moet u de pennen verzorgen. Van de behandelend arts krijgt u te horen in hoeverre u het bot met de fixateur externe mag belasten.
De verzorging van de fixateur externe
De verzorging van een fixateur externe kunt u meestal zelf doen. Het moet tweemaal daags gebeuren en u heeft de volgende spullen nodig:
|
Een schaar | |
|
Kleine gaasjes (5 bij 5 cm en niet steriel) | |
|
Alcohol 80% | |
|
Pleister |
U maakt de pennen rond de insteekopening met alcohol 80 % schoon. Daarna knipt u de gaasjes in en brengt ze aan rond de pennen. Voor u onder de douche gaat kunt u alle gaasjes die los zitten verwijderen. De gaasjes die vast zitten verwijdert u als ze nat zijn. U maakt het frame 2 tot 3 keer per week met alcohol schoon, de andere dagen alleen de gaasjes verschonen. Wanneer de insteekopeningen erg rood zijn of er komt geel vocht uit en u heeft koorts, neem dan contact op met de behandelend arts.
De nabehandeling
Hoelang de fixateur externe moet blijven zitten hangt van de omstandigheden af. Bij polsbreuken blijft de fixateur externe 4 tot 6 weken zitten. Wanneer het gebruikt wordt als behandelingsmethode bij een beenverlenging kan het soms wel een jaar duren.
Het verwijderen van de fixateur externe
Een fixateur externe wordt meestal op de polikliniek of in de gipskamer verwijderd en dat kan in het algemeen zonder verdoving. Eerst wordt het framewerk verwijderd, daarna worden de pennen uit het bot gedraaid. Na het verwijderen van de pennen kunnen de wondjes in de huid een tijdje nabloeden; na een dag moet dat gestopt zijn. De wondjes kunnen verbonden worden met een pleister of gaasje. De pengaatjes in het bot groeien vanzelf dicht.
Vragen
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.
Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.
Tot slot
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.
![]()
CHRONISCH COMPARTIMENT SYNDROOM AAN HET ONDERBEEN

Deze
folder geeft u informatie over de gang van zaken bij een chronisch compartiment
syndroom aan het onderbeen. Het is goed u te
realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven.
Spieren
of spiergroepen worden omgeven door een kapsel, een fascie. Een spiergroep met
een fascie er omheen wordt een spiercompartiment genoemd. Naast het scheenbeen,
aan de buitenzijde van het onderbeen bevinden zich spieren, die zorgen voor het
heffen van de voet en tenen. Deze spieren zijn omgeven door een stevig kapsel.
Dit compartiment wordt ook wel de anticusloge genoemd.
Bij
sommige mensen kunnen tijdens of na inspanning de spieren in de anticusloge als
gevolg van zwelling te strak in hun kapsel komen te zitten. Daardoor kunnen doorbloeding
en zenuwvoorziening in de knel komen. In extreme gevallen kan de druk zelfs zo
hoog worden dat de bloedtoevoer wordt afgesloten en de spieren dreigen af te
sterven. Een spoedbehandeling is in die zeldzame gevallen aangewezen.
De
klachten
Wanneer
telkens tijdens of na een inspanning de spieren in de anticusloge in het gedrang
komen, noemen we dat een chronisch compartiment syndroom. De klachten die daar
veelal bij worden aangegeven zijn pijn en stijfheid naast het scheenbeen aan de
buitenzijde van het onderbeen. Ook worden wel eens tintelingen of een dovig
gevoel opgemerkt in de omgeving van de grote teen en de teen ernaast. In extreme
gevallen, bij het acute compartiment syndroom, is de pijn zeer hevig en kan de
grote teen of de voet niet goed meer worden bewogen. Meestal zijn dan ook andere
compartimenten in het been aan gedaan.
Onderzoek
Vanzelfsprekend
zal de arts eerst het onderbeen zelf onderzoeken. Bestaat er een verdenking op
een chronisch compartiment syndroom dan kan een zogenaamde drukmeting worden
verricht. Het is namelijk mogelijk om de druk in een compartiment te meten.
Daartoe wordt met een dun naaldje door de huid, het onderhuidse weefsel en het
spierkapsel tot in het spiercompartiment geprikt. Door wat vocht in te spuiten
kan de druk gemeten worden, zowel in rust als na inspanning. Het is echter ook
mogelijk dat de verschijnselen zo duidelijk zijn, dat de arts geen drukmeting
nodig acht.
De
behandelingsmogelijkheden
De
behandeling is afhankelijk van de ernst van de klachten en van de resultaten van
de drukmeting. Wanneer de drukmeting te hoge waarden aangeeft zal een operatieve
behandeling worden voorgesteld. Is de drukmeting niet afwijkend, maar doen de
klachten toch denken aan het chronische compartiment syndroom, dan wordt rust
voorgeschreven en daarna zo nodig fysiotherapie.
De
operatieve behandeling bestaat uit het openen van het te strak zittende
spierkapsel (een zogenaamde fasciotomie). Deze ingreep gebeurt meestal in
dagverpleging onder narcose of met verdoving door middel van een ruggeprik. Via
een kleine snee in de huid wordt het kapsel blootgelegd en in de lengterichting
geopend.
Mogelijke
complicaties
Geen
enkele operatie is zonder risico’s. Zo is ook bij deze operatie de normale
kans op complicaties aanwezig, zoals nabloeding, wondinfectie of trombose.
Soms
ontstaat er een bloeduitstorting ter plaatse van de ingreep, die meestal zonder
problemen en spontaan verdwijnt. Zelden ontstaat er een infectie van de
operatiewond. De kans dat er een zenuwbeschadiging optreedt als gevolg van de
operatie is aanwezig, maar het komt zelden voor.
Soms
wordt later door littekenweefsel de fascie weer te strak en is na verloop van
tijd een nieuwe ingreep nodig.
De
wondgenezing duurt 1 à 2 weken. Gedurende de eerste tijd is een licht drukkend
verband of kous voldoende
Als
de verdoving uitgewerkt is, kunt u wat pijnklachten hebben, waarvoor u
pijnstillers als paracetamol kunt gebruiken. Deze zijn te koop bij apotheek en
drogist en het is raadzaam om voor de ingreep al vast deze pijnstillers
in huis te hebben.
Het
is belangrijk om zo snel mogelijk weer te gaan lopen, zodat het spierkapsel niet
in z’n oorspronkelijke te krappe omvang kan dichtgroeien. Extreme inspanning,
zoals intensieve sport of het lopen van lange marsen, is gedurende de eerste
weken af te raden. Speciale leefregels zijn niet nodig, u voelt zelf aan wat u
wel en niet kunt.
Vragen
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.
Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.
Tot slot
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.
![]()

Deze folder geeft u een globaal overzicht van de procedure rond een amputatie van een ledemaat. Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven.
Onder een amputatie wordt verstaan het afzetten van een deel van het menselijk lichaam, bijvoorbeeld een teen, voet, been, vinger, hand etc., of een deel ervan.
Duidelijk is dat een amputatie een ingrijpende gebeurtenis is voor patiënt, familie, omgeving, maar ook voor de arts. Daarom zal pas na zeer zorgvuldig afwegen een dergelijke operatie worden voorgesteld.
De redenen om een amputatie te adviseren kunnen verschillend zijn. Toch komen ze in feite allemaal op hetzelfde neer: er is meestal een zodanige weefselschade (beschadiging of versterf), dat het niet amputeren ernstige gevolgen heeft voor het verdere leven.
Meestal betreft het patiënten met ernstige vaatproblemen, die niet meer met een bloedvatoperatie geholpen kunnen worden.
Bij ernstige weefselschade is de kans op een voortschrijdende infectie erg groot, zeker bij patiënten die daarbij ook nog suikerziekte hebben. Een amputatie kan dan de enige kans zijn om het leven te behouden.
Ook kunnen ondraaglijke pijnklachten, veroorzaakt door een ernstige zenuw- of vaatschade, aanleiding zijn om een aangedaan been te amputeren.
Bij een ongeval kan er een zodanige weefselschade optreden, dat slechts met een amputatie het leven gered kan worden.
Levensbedreigende situaties, waarbij vóór de operatie vaak geen of onvoldoende overleg heeft kunnen plaatsvinden, worden hier buiten beschouwing gelaten. Onder normale omstandigheden neemt de arts de procedure rond de amputatie met u door.
Voor de operatie wordt het amputatieniveau besproken, veelal in overleg met de revalidatiearts. Bij een amputatie van een deel van het been wordt het amputatieniveau niet zozeer bepaald door het niveau van de weefselschade, maar door de plaats waar na de operatie een prothesevoorziening moet worden aangebracht. Zo kan bij een ernstige infectie van de voet het amputatieniveau niet bij de voet of enkel komen te liggen, maar een handbreed onder de knie. Onder dat niveau is namelijk geen goede en stabiele prothesevoorziening mogelijk en een amputatie bij de enkel zal te dicht bij de infectie zijn.
In het algemeen wordt de wond gesloten, maar bij een groot risico op infectie kan het verstandig zijn de wond later te sluiten. In dat geval wordt pas na een paar dagen, wanneer de infectieverschijnselen onder controle zijn, de stomp gecorrigeerd en de wond gesloten.
Geen enkele operatie is zonder risico’s. Zo is ook bij amputaties de normale kans op complicaties aanwezig, zoals nabloeding, wondinfectie, trombose of longontsteking. Als gevolg van het vaak grote wondoppervlak en het feit dat veelal weefselschade de reden is voor een amputatie, kunnen nabloedingen en met name infecties vaker voorkomen.
Het is goed u te realiseren dat de mate van weefselschade voor de operatie aan de buitenkant niet betrouwbaar is vast te stellen. Het komt daarom wel eens voor, dat de arts tijdens de operatie moet besluiten een groter deel te amputeren dan in eerste instantie gedacht werd en met u besproken is. Ook kan het voorkomen, dat bij nader inzien wordt vastgesteld dat bij de operatie te weinig is geamputeerd. De wond wil dan niet genezen, de weefselschade kan doorgaan en er is een nieuwe operatie nodig .
Een veelvoorkomend en hinderlijk fenomeen is de fantoomsensatie of fantoompijn. De bij de amputatie doorgesneden zenuwen blijven prikkels doorgeven naar de hersenen alsof het geamputeerde lichaamsdeel er nog is, wat daarbij vreemd aan kan voelen of pijn kan doen. Hinderlijke fantoomverschijnselen zijn tegenwoordig met medicijnen of injecties redelijk te controleren.
De amputatiestomp wordt na de operatie verbonden met een zogenaamd stompverband. Dat verband wordt stevig aangebracht om de stomp goed te kunnen modelleren voor een eventuele prothese. Het verbinden van de stomp is in het begin vanzelfsprekend gevoelig.
De periode na de operatie is gericht op herstel van de wond en de ontwikkeling van de functie in het restant van het geamputeerde lichaamsdeel. Revalidatie en oefentherapie onder leiding van de revalidatiearts en de fysiotherapeut(e) worden belangrijke zaken voor u. De revalidatiearts bekijkt welke revalidatie- en prothesevoorziening er in uw nieuwe situatie mogelijk zijn. De mogelijkheden daarvan zullen sterk afhangen van uw lichamelijke conditie, bijkomende ziekte of gebreken, het amputatieniveau en de amputatiestomp. Ook de duur van uw verblijf in het ziekenhuis is ondermeer afhankelijk van deze factoren.
Afhankelijk van de situatie is het mogelijk dat na ontslag uit het ziekenhuis de revalidatie wordt voortgezet in een verzorgings- of verpleegtehuis of een revalidatiecentrum. Wanneer speciale thuishulp (gezinszorg of wijkverpleging) nodig is, wordt die vanuit het ziekenhuis geregeld.
Vragen
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.
Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling, waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.
Wanneer u een prothese gaat gebruiken, heeft u wellicht behoefte aan meer informatie en lotgenotencontact. Bij de Stichting Landelijke Werkgroep van Beenprothesegebruikers kunt u hiervoor terecht: Hollywoodlaan 2, 1325 HR Almere, ( 036 - 5376576 ).
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.
laatst bijgewerkt 14-12-04
![]()