(OPNAME) DAGVERPLEGING/DAGBEHANDELING
Deze folder geeft u enige algemene informatie wanneer u een operatie in dagbehandeling moet ondergaan. Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven.
Met uw behandelend specialist / arts hebt u afgesproken, dat u naar het ziekenhuis komt voor een operatieve ingreep op de afdeling dagverpleging / daghospitaal / dagbehandeling. Deze afdeling is bedoeld voor patiënten die een behandeling moeten ondergaan, waarbij slechts voor enkele uren verpleegkundige zorg en observatie nodig zijn. Het is de bedoeling, als alles goed gaat, dat u in de loop van de dag weer naar huis gaat.
In een enkel geval kan de arts besluiten dat het beter is dat u in het ziekenhuis blijft. Dit hoeft niet te betekenen dat er iets mis is, maar de ene persoon reageert nu eenmaal anders op de ingreep dan de andere. U wordt dan opgenomen op een van de verpleegafdelingen van het ziekenhuis.
Op de afdeling dagverpleging / daghospitaal / dagbehandeling is een aantal zaken anders geregeld dan op een gewone verpleegafdeling in het ziekenhuis:
zo is er een gemengde verpleging van vrouwen en mannen en zijn er geen klassekamers,
het ontvangen van bezoek zal veelal niet mogelijk zijn,
het ziekenhuis zorgt afhankelijk van uw behandeling voor eten en drinken en
roken is niet toegestaan.
Voorbereidingen thuis
Als u ziek of verhinderd bent
Als u de dagen voor de behandeling verkouden bent, hoest of koorts heeft of om andere redenen niet op de opnamedag kunt komen, wilt u ons dan zo snel mogelijk bellen. In uw plaats kan dan iemand anders geholpen worden.
Wilt u ervoor zorgen dat u gedurende 24 uur na de behandeling gezelschap heeft van iemand die u kan helpen als dat nodig is.
Wat neemt u mee ?
Wat u niet moet meenemen:
Medicijnen
Maak voor uw opname een lijst met daarop de namen en de dosering van de
geneesmiddelen die u op dat ogenblik gebruikt en neem deze lijst mee! In het
algemeen worden tijdens uw verblijf alle geneesmiddelen door het ziekenhuis
verstrekt. De geneesmiddelen van het ziekenhuis kunnen er qua vorm en kleur
anders uitzien dan de geneesmiddelen die u thuis gebruikt. De uitwerking is
echter dezelfde.
Op de afdeling dagverpleging / daghospitaal / dagbehandeling meldt u zich bij de receptie. Een verpleegkundige komt u ophalen en legt u de gang van zaken uit. De verpleegkundige zal zonodig een aantal voorbereidingen treffen, zo kan bijvoorbeeld uw bloeddruk en pols gecontroleerd worden, de plaats van behandeling onthaard worden en worden er eventueel medicijnen gegeven als voorbereiding op de narcose.
De anesthesist spreekt u voor de operatie. Bij de operaties in dagverpleging worden zowel algehele als gedeeltelijke verdovingen toegepast. Indien van toepassing zal naar uw voorkeur van verdoving worden gevraagd.
Na de behandeling gaat u naar de recovery of uitslaapkamer. Dat is een ruimte waar alle operatiepatiënten onder toezicht van verpleegkundigen uitslapen en bijkomen. Als de anesthesist toestemming geeft, gaat u weer terug naar de afdeling.
Wat krijgt u mee naar huis?
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.
Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling die de behandeling zal uitvoeren.
Bij acute problemen die zich in de eerste avond of nacht voordoen, kunt u bellen naar het ziekenhuis Wanneer zich later thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.
ALGEMENE INFORMATIE ROND DE OPERATIE
Deze
folder geeft u enige algemene informatie wanneer u een operatie moet ondergaan.
Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn
dan beschreven.
U wordt binnenkort in het ziekenhuis opgenomen voor een operatie. Meldt u op het afgesproken tijdstip bij de afdeling opname en breng met u mee:
uw ponskaartje
naam en telefoonnummer van een contactpersoon,
een bewijs van inschrijving bij uw ziektekostenverzekeraar,
toiletgerei,
nachtkleding en extra ondergoed,
een kamerjas,
pantoffels of slippers,
een wijde rok of broek bij een knie- of beenbehandeling;
een wijde trui bij een behandeling aan de arm. U krijgt na de behandeling misschien een dik verband.
eventuele dieetvoorschriften,
een lenzendoosje als u contactlenzen draagt,
wat kleingeld,
iets waar u de tijd mee kunt doorbrengen, bijvoorbeeld een tijdschrift of boek.
Wat
u niet moet meenemen:
Waardevolle
zaken, zoals sieraden, cheques, bank- en giropasjes en grote geldbedragen. Laat
deze bij voorkeur thuis. Het ziekenhuis is niet aansprakelijk in geval van
diefstal of verlies van eigendommen van patiënten.
Medicijnen
Maak voor uw opname een lijst met daarop de namen en de dosering van de
geneesmiddelen die u op dat ogenblik gebruikt en neem deze lijst mee! Tijdens uw
verblijf worden alle geneesmiddelen door het ziekenhuis verstrekt. De
geneesmiddelen van het ziekenhuis kunnen er qua vorm en kleur anders uitzien dan
de geneesmiddelen die u thuis gebruikt. De uitwerking is echter dezelfde.
Overgevoeligheid
/ Allergie
Als
u overgevoelig bent voor bepaalde stoffen -
bijvoorbeeld voor etenswaren, pleisters, medicijnen of jodium - dan moet u dat
doorgeven op de afdeling aan de verpleegkundige en de arts.
Contactpersoon
Het is raadzaam een contactpersoon aan te wijzen voor u opgenomen wordt. Uw
contactpersoon onderhoudt het contact tussen de verpleging enerzijds en familie
en bekenden anderzijds. De medewerkers mogen alleen informatie verstrekken aan
deze door u aangewezen contactpersoon. Geeft u vooral zijn of haar
telefoonnummer door.
Volwassenen
krijgen van de verpleegkundige een injectie om trombose te voorkomen. Na de
operatie wordt deze injectie iedere dag gegeven totdat u weer goed kunt
rondlopen.
Vanaf
24.00 uur mag u voor de operatie niet meer eten of drinken. Een lege maag
voorkomt overgeven en verslikken tijdens de narcose. Denkt u moeilijk in te
kunnen slapen, vraag dan aan de verpleegkundige of de anesthesist een
slaapmiddel.
Een
kunstgebit en contactlenzen moet u uitdoen, evenals een horloge en sieraden.
Nagellak en make-up moet u verwijderen. Tijdens de operatie kan de anesthesist
onder andere aan de natuurlijke kleur van uw huid aflezen hoe het met u is
gesteld.
Vlak
voordat u naar de operatieafdeling gaat wordt u gevraagd een operatiehemd aan te
doen. Vervolgens kan het zijn dat u van de verpleegkundige een tablet krijgt of
een injectie in het been met een kalmerend middel. Dit dient ter voorbereiding
op de verdoving. Hiervan kunt u een slaperig gevoel en een droge mond krijgen.
De
arts of verpleegkundige kan nooit met zekerheid zeggen wanneer u aan de beurt
bent. Operaties duren soms langer dan verwacht. Tevens kunnen er spoedoperaties
tussendoor komen. Hierdoor wordt u soms later geholpen dan aanvankelijk de
bedoeling was.
Bij
alle operaties kunnen complicaties optreden. Die kunnen in ernst wisselen,
afhankelijk van de grootte en soort van operatie en uw conditie. Zij kunnen
klein en hinderlijk zijn, maar zijn soms ook ernstig.
Voor
de longen is het uitermate belangrijk dat u de eerste dagen na de operatie
regelmatig, bijvoorbeeld een keer per kwartier, diep ademhaalt. Merkt u dat er
slijm in de longen zit, dan is het van belang dit goed op te hoesten. Door
hierbij een kussentje tegen de wond te duwen vermindert de pijn. De
fysiotherapeut kan u hierbij helpen.
Het
is belangrijk dat u al snel na de operatie weer in beweging komt. Dit is goed
voor de bloedcirculatie en de spijsvertering. Wanneer de chirurg geen bezwaar
heeft, zijn zelfs bewegingen in bed, zoals omdraaien en rechtop gaan zitten,
goed voor het herstel.
Wilt
u gaan zitten dan is het van belang de wond te ontzien. Draai daarom (als u een
buikoperatie hebt ondergaan) eerst op uw zij en duw daarna met de armen het
bovenlichaam omhoog.
De
eerste dag na de operatie helpt de verpleegkundige u om even uit bed te komen en
op een stoel te zitten. Op de tweede dag loopt u met de verpleegkundige enkele
passen door de kamer. Zodra u weer voldoende beweegt zijn de injecties tegen
trombose niet meer nodig en kunt u ook weer douchen.
Bovenstaande
is uiteraard afhankelijk van het soort operatie dat u hebt ondergaan.
Vragen
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.
Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling, waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.
Tot slot
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.
BEGELEIDING
VAN OUDERS BIJ DE ANAESTHESIE
Wij raden u ten zeerste aan dat uw kind en in ieder geval een van de ouders de voorlichtingsbijeenkomst bijwoont. (De bijeenkomst kan door beide ouders/verzorgers worden bezocht.)
Slechts één ouder/verzorger kan bij de toediening van de narcose aanwezig zijn, u dient dus vooraf te bepalen welke ouder/verzorger dit zal zijn.
Er is een begeleid(st)er aanwezig op de operatiekamer om u op te vangen en een die u buiten de operatie-afdeling begeleidt.
De aanwezigheid van een ouder/verzorger bij de narcose wordt wenselijk geacht
vanaf een leeftijd van 6 maanden tot 16 jaar.
Overigens moet u zich als ouder niet verplicht voelen om uw kind tot bij de
narcose te begeleiden. Soms is het beter, ook voor uw kind, om toe te geven dat
u hier wellicht niet goed tegen kunt. De medewerkers van de operatie-afdeling
zullen er alles aan doen om uw kind goed op te vangen en tijdens het verblijf op
de afdeling optimaal te verzorgen.
De voorlichtingsmiddag
De voorlichtingsbijeenkomst vindt wekelijks plaats in
het ziekenhuis op dinsdag van 16.00 - 17.00 uur.
Aanmelding voor de bijeenkomst is niet nodig. U kunt het beste de
voorlichtingsbijeenkomst op de eerstvolgende dinsdag bezoeken omdat nog niet
precies bekend is wanneer uw kind wordt geopereerd. U kunt zich melden bij de
receptie naast de hoofdingang, vanwaar u wordt opgehaald. Indien er tussen de
voorlichtingsbijeenkomst en de opnamedatum een lange periode zit, kunt u voor uw
kind de bijeenkomst
eventueel nog eens herhalen.
De voorlichtingmiddag is niet alleen bedoeld voor ouders, maar ook voor kinderen
vanaf 4 jaar.
Aan de hand van een diapresentatie krijgt u als ouder uitgebreid informatie over
wat u en uw kind kunnen verwachten op de dag van de operatie. Ook is er
gelegenheid tot het stellen van vragen. Tegelijkertijd worden kinderen vanaf 4
jaar in een aangrenzende ruimte apart voorgelicht. Een pedagogisch medewerkster
van de kinderafdeling vertelt hen wat er op de dag van de ingreep gaat gebeuren.
Voor kinderen beneden de 4 jaar is de voorlichtingsbijeenkomst niet
toegankelijk. Voor deze leeftijdscategorie is het beter om het kind zeer kort
van tevoren voor te bereiden. Anders kan de gegeven informatie een eigen leven
gaan leiden, waardoor het kind juist meer angst voor de opname kan krijgen. U,
als ouder, bieden wij op de voorlichtingsbijeenkomst wel een informatiebulletin
aan. Hierin staan adviezen en aanwijzingen waar u veel aan kunt hebben als u uw
kind thuis op de opname voorbereidt.
Verklarende woordenlijst zie onderaan.
"Anesthesie" is de verzamelnaam van alle soorten verdoving voor operaties. Het betekent "gevoelloosheid". In de praktijk is anesthesie echter veel meer dan alleen de verdoving. Het doel van de anesthesie is om u te beschermen tijdens de operatie. Dankzij de anesthesie blijft uw lichaam in de best mogelijke conditie, ook bij een zware of langdurige operatie.
Hoewel het onmogelijk is om 100% garantie te geven voor een feilloos verloop van een operatie, stelt een anesthesie-team bij iedere operatie alles in het werk om mogelijke risico’s uit te sluiten.
Er zijn verschillende vormen van anesthesie: algehele, regionale en lokale anesthesie.
De populaire benaming voor algehele anesthesie is "narcose".
|
|
Bij algehele anesthesie brengt de anesthesioloog u in diepe slaap, zodat u niets van de operatie zelf merkt. U komt pas weer bij als uw operatie achter de rug is en u kunt zich er niets van herinneren. |
|
|
Regionale anesthesie: verdooft een deel van uw lichaam. Een bekende vorm van regionale anesthesie is de ruggeprik Hierbij wordt het onderste deel van uw lichaam verdoofd. U bcnt tijdens de operatie volledig bij bewustzjn. Een minder bekende vorm van regionale anesthesie is een okselprik, waarbij alleen uw arm wordt verdoofd. De algehele en regionale anesthesie worden vrijwel altijd toegepast door een anesthesist. |
|
|
Lokale anesthesie: de plaatselijke verdoving, kan ook door een andere arts worden gegeven. U kent die verdoving misschien wel van de tandarts of als de huisarts een wrat weghaalt. |
De anesthesioloog
Voor de operatie maakt u kennis met de anesthesioloog. Net als de chirurg is de anesthesioloog een van de specialisten in het ziekenhuis. De chirurg, de anesthesist en hun assistenten vormen samen het operatieteam.
Tijdens de operatie zorgt de anesthesist voor alles wat te maken heeft me de anesthesie. Daar komt veel meer bij kijken dan alleen de verdoving. Het lichaam moet goed blijven functioneren tijdens de operatie. De anesthesioloog streeft naar een balans van alle lichaamsfuncties, zodat de chirurg rustig te werk kan gaan en u de operastie zo goed mogelijk doorstaat. Met behulp van speciale apparatuur bewaakt en regelt de anesthesioloog onder andere uw bloeddruk, hartslag en ademhaling. Zonodig kan de anesthesioloog ieder moment de anesthesie bijstellen: dieper laten slapen of wakker maken, meer of minder pijnstillers toedienen, etc. Ook zorgt de anesthesioloog ervoor dat uw vochtgehalte op peil blijft en dat u bloed krijgt toegediend bij sterk bloedverlies tijdens de operatie.
De anesthesie-medewerker
De anesthesie-medewerker is degene die u in de ontvangstruimte van de operatiekamers komt halen en naar de operatiekamer of de inleidingsruimte brengt. De anesthesie-medewerker werkt nauw samen met de anesthesioloog om uw lichamelijk welzijn optimaal te houden. Voor de uitoefening van dit beroep heeft de anesthesie-medewerker een speciale meerjarige opleiding moeten volgen. Het kan gebeuren dat de anesthesioloog tijdens de operatie even wordt weggeroepen. De anesthesie-medewerker houdt dan de apparatuur nauwlettend in de gaten en roept de specialist zonodig terug.
Voorbereiding anesthesie
Bij de kennismaking wil de anesthesioloog van alles van u weten. Al die informatie is nodig om te bepalen welke vorm van anesthesie voor u nodig is. Dat hangt sterk af van de soort operatie, uw leeftijd, uw conditie en andere factoren. Zo kunt u vragen verwachten over eerdere operaties en hoe u toen op de anesthesie reageerde en over ziekten die in uw familie voorkomen. Deanesthesioloog zal u vragen welke medicijnen u regelmatig slikt. Bent uw overgevoelig voor pleisters, jodium of medicijnen, dan moet de asnesthesioloog dat ook weten. Als daar aanleiding toe is, wordt er bloed en urine afgenomen. Ook laat de anesthesioloog in sommige gevallen, zoals bij oudere patienten, een cardiogram maken en een foto van de longen. De chirurg laat weten hoe hij de operatie wil uitvoeren. Daarna beslist de anesthesioloog welke vorm van anesthesie voor u het beste is. Ook kan de anesthesioloog u een keuze voorleggen, bijvoorbeeld tussen algehele anesthesie en regionale anesthesie.
Voorbereiding operatie
De avond voor de operatie kunt u eventueel om een slaapmiddel vragen, zodat u goed uitgerust bent op de dag van de operatie. U moet "nuchter" zijn tijdens de operatie. Die morgen mag u niet ontbijten of iets drinken, behalve misschien een slokje water om medicijnen in te nemen. Het is natuurlijk altijd beter om helemaal niet te roken. In de uren voor de operatie moet u het zeker niet doen. Rokers hebben geirriteerde luchtwegen. Het is daarom moeilijker om de ademhaling te controleren bij een roker. U moet beseffen dat hoesten ook na afloop van de operatie vaak erg hinderlijk is.
Soms is het nodig om de plek waar u geopereerd wordt, te scheren. In plaats van uw pyjama krijgt u speciale operatiekleding aan. Voor de operatie moet u alles wat u draagt aan sieraden afdoen: uw horloge, ringen en armbanden. Overleg zonodig met de verpleegkundigen of zij uw kostbaarheden zolang op een veilig plek kunnen bewaren. Uw bril en gebitsprothese mag u dragen als er gebruik wordt gemaakt van een regionale anesthesie.
Algehele anesthesie
Kort voor de operatie geeft de verpleegkundige u, afhankelijk van de gekozen anesthesie-vorm een injectie of een tabletje. Daarvan krijgt u al een wat slaperig gevoel. Terwijl u in uw eigen bed ligt, brengt een verpleegkundige u naar de operatiekamer. Daar vangen de anesthesioloog en de anesthesie-medewerker u op. Zij lopen alle voorbereidingen na. De anesthesie-medewerker brengt een kunststofnaaldje in uw arm en maakt het infuus klaar. Voordat u de slaapmiddelen krijgt toegediend, wordt eerst de bewakingsapparatuur aangesloten. U krijgt plakkers op uw borst om uw hartslag te meten en een klemmetje op uw vinger om het zuurstofgehalte in uw bloed bij te houden. De bloeddruk wordt aan de arm gemeten. Als alle voorbereidingen klaar zijn, dient de anesthesioloog u een snelwerkend slaapmiddel toe. Binnen een halve minuut bent u in een diepe slaap.
Infuus of kapje
Vroeger werd anesthesie enkel toegediend met een kapje, waardoor de patient de anesthesie-gassen (toen:ether) inademde. Dit heet "inhalatie-anesthesie" en is sindsdien sterk verbeterd en verfijnd. Vooral kleinere kinderen kunnen hiermee goed en veilig in slaap worden gebracht. Volwassenen worden meestal eerst met "intraveneuze anesthesie" in slaap gebracht. Bij intraveneuze anesthesie worden de medicamenten via een infuus rechtstreeks in de bloedbaan gespoten. Na het in slaap brengen wordt de anesthesie onderhouden met gassen, of intraveneus via het infuus, voortgezet.
Of de anesthesie nu met gassen of via het infuus wordt toegediend, het mengsel van medicamenten is nauwkeurig afgestemd op de patiënt en de omstandigheden. De medicamenten bestaan uit slaapmiddelen, pijnstillers en middelen om de spieren verslapt te houden. Als het nodig is, worden tijdens de operatie nog extra medicamenten toegediend, waarmee de anesthesioloog de anesthesie goed en snel kan besturen. Ook is het anesthesie-team voortdurend bedacht op onverwachte reacties of veranderingen in het lichaam. Door tijdig ingrijpen voorkomen zij dat er hierdoor schade kan optreden.
De anesthesioloog neemt tijdens de operatie de regie van uw lichaam over. De bewakingsapparatuur volgt nauwkeurig het functioneren van uw lichaam. De anesthesioloog en de anesthesie-,medewerker kunnen daarop precies vaststellen hoe uw lichaam op de operatie reageert. Zij zijn voortdurend bezig, de functies van uw lichaam (ademhaling en bloedsomloop) bij te sturen. Als het nodig is nemen zij met speciale apparatuur uw ademhaling over en zorgen daarmee dat u voldoende zuurstof krijgt. Meestal ademt u tijdens de operatie via een buisje dat in uw luchtpijp is geschoven. Dit buisje is aangesloten op de beademingsapparratuur. Het anesthesie-team houdt alles nauwkeurig in de gaten en kan bepalen wanneer u weer bijkomt.
Regionale anesthesie
Is er gekozen voor de regionale anesthesie (bijvoorbeeld de ruggeprik) dan bent u tijdens de operatie wakker. Vaak kunt u met de anesthesie-medewerker of met de chirurg een praatje maken. Als u dat liever niet wilt, kunt u de anesthesioloog om een licht slaapmiddel vragen. Overigens ziet u niets rechtstreeks van de operatie, want alles wordt afgedekt met steriele doeken. Bij sommige kijkoperaties kunt u wel meekijken op de monitor, bv bij kijkoperaties in de knie.
Bij regionale verdoving is het deel van het lichaam dat geopereerd gaat worden gevoelloos gemaakt. Bij de ruggeprik is dat de onderste helft van het lichaam; bij de okselprik de arm. Ook bij deze anesthesie kan de anesthesioloog de verdoving precies bijsturen. Zo zorgt de anesthesioloog bij een bevalling met een ruggeprik er voor, dat de pijn wel vermindert, maar dat de vrouw haar spieren goed kan blijven gebruiken om te persen. De voorbereidingen voor de operatie zijn hetzelfde als bij algehele anesthesie.
Bij de ruggeprik spuit de anesthesioloog met een heel dun naaldje een verdovende vloeistof in uw wervelkanaal. De prik doet niet meer pijn dan een gewone injectie.U merkt dat eerst uw benen warm, slap en gevoelloos worden, later ook de rest van uw onderlichaam. Als de verdoving begint te werken of na de operatie zijn uitwerking verliest, voelt u het tintelen. Gedurende de hele operatie blijft de anesthesioloog of de anesthesie-verpleegkundige er bij. Er is geen beademingsapparatuur ingeschakeld. De bewakingsapparatuur is wel aangesloten en het anesthesie-team houdt uw lichaam net zo precies in de gaten als bij een algehele anesthesie.
Een zenuw verdoven
Met bepaalde medicamenten is het mogelijk een zenuw of zenuwbaan tijdelijk uit te schakelen. Rondom zo'n zenuw wordt dan wat verdovingmiddel ingespoten. In de rug lopen vanuit het ruggemerg grote zenuwen naar het onderlichaam en de benen. Deze zenuwbanen worden met een ruggeprik verdoofd. Die prik komt niet in de buurt van het ruggemerg, zodat dit niet beschadigd kan worden. Bij de regionale anesthesie worden de zenuwen die op pijn reageren zo volledig mogelijk uitgeschakeld. Ook het gevoel (aanraken) verandert, maar dit verdwijnt soms niet helemaal. Dat is normaal. Vaak lopen de pijnzenuwen samen met zenuwen die de spieren laten werken. Die worden met de verdoving dan ook tijdelijk uirgeschakeld. Deze spieren zijn verlamd door de verdoving: ze doen even niet mee. Als de verdoving is uirgewerkt, krijgt u weer de normale kracht en beheersing over de spieren terug.
Naar de verkoeverkamer
Als de operatie achter de rug is, brengen de anesthesioloog en de anesthesie-medewerker u naar de verkoeverkamer. Dat is een aparte ruimte vlakbij de operatiekamer. Daar ziet een gespecialiseerde verpleegkundige erop toe dat u rustig van de operatie bijkomt. Ook hier bent u aangesloten op de bewakingsapparatuur. Na een operatie met regionale anesthesie gaat u ook naar de verkoeverkamer. Als het nodig is, kunt u nu om pijnstillers vragen of om een middel tegen misselijkheid. Heeft u een zwaar of kriebelig gevoel achterin de keel, dan komt dat vna het buisje dat tijdens de operatie in uw keel zat. Die irritatie verdwijnt vanzelf weer.
Het kan zijn dat er nog allerlei slangetjes aan uw lichaam vastzitten, die een of twee dagen later weer worden verwijderd. Als u nog niet mag eten en drinken, krijgt u via een infuus toch vocht en voedingsstoffen binnen. Soms loopt er een slangetje door uw neus om uw maag nog een poosje te ontlasten of om u extra zuurstof te geven. Een slangetje in de blaas (catheter) is aangelegd om uw urine op te vangen tijdens de operatie en ook daarna, als u nog niet naar de WC kunt gaan.
Terug naar de afdeling
Als u voldoende hersteld bent van de operatie, gaat u terug naar de afdeling. Daar kunt u eventueel bezoek ontvangen. Het is heel gewoon dat u zich nog een tijdlang niet fit voelt na een operatie. Dat hoeft niet te liggen aan de anesthesie: de verdoving is na een dag helemaal uitgewerkt. Maar een operatie is voor uw lichaam zo'n inspanning, dat het even tijd nodig heeft om er van bij te komen.
Vragen aan de anesthesioloog
De anesthesioloog kan u alle informatie geven over de gang van zaken. Het is handig om u voor te bereiden op het eerste gesprek. U kunt alvast een lijstje maken met gegevens over eerdere operaties e.d. Vergeet ook niet uw eigen vragen voor te leggen. Vragen over de operatie zelf kunt u aan de chirurg stellen. Laat u zich goed voorlichten over de mogelijkheden als u de keuze heeft tussen regionale en algehele anesthesie.
Video
Er is ook een videofilm "Anesthesie" met informatie over dit onderwerp. Vraag hiernaar bij uw arts of de afdeling patiëntenvoorlichting van het ziekenhuis
anesthesie: met behulp van geneesmiddelen wordt het lichaam in zo'n conditie gebracht, dat een operatie kan worden ondergaan zonder pijngevoel en andere (stress)reacties op de ingreep
algehele anesthesie: ook wel "onder narcose" genoemd: tijdens de operatie wordt de pati
regionale anesthesie: een deel van het lichaam wordt verdoofd. Een voorbeeld is de ruggeprik.
lokale anesthesie: plaatselijke verdoving: een klein plekje van het lichaam (een stukje huid of een tand) wordt verdoofd
anesthesist/anesthesioloog: medisch specialist die verantwoordelijk is voor de anesthesie.
anesthesie-medewerker: verpleegkundige die zich heeft gespecialiseerd in anesthesie. Ook wel anesthesieverpleegkundige genoemd.
infuus: het lichaam krijgt rechtstreeks in de bloedbaan vloeistof toegediend
inhalatieanesthesie: anesthesie wordt toegediend door de patiënt gassen te laten inademen
intensive care: afdeling in een ziekenhuis waar extra bewakingsapparatuur aanwezig is om de conditie van patiënten precies in de gaten te houden
intraveneuze anesthesie: anesthesie door een vloeistof rechtstreeks in de bloedbaan toe te dienen (intraveneus=in de aderen)
verkoeverkamer: "uitslaapkamer". Ruimte vlakbij de operatiekamer waar u bijkomt van de operatie
Als
u een onderzoek, behandeling of operatie moet ondergaan is het van belang dat u
het daarmee eens bent. Dat lijkt een formaliteit, maar het is en blijft een
serieuze aangelegenheid. Bespreek daarom vóór het onderzoek, de behandeling of
de operatie al uw vragen en zorgen met uw arts of chirurg.
Voor
u is het van belang dat u de gang van zaken rond het onderzoek, de behandeling
of de operatie voldoende hebt begrepen en of de voorlichting, die u daarover
hebt gekregen, voldoende is geweest. Pas dan kunt u achter de beslissing staan
en uw toestemming er voor geven.
Niet
iedereen zal alle specifieke details over de procedure rond een onderzoek,
behandeling of operatie willen weten. Toch is het verstandig om goed geïnformeerd
te zijn. Na een gesprek met uw arts of chirurg zou u eigenlijk een antwoord
moeten weten op vragen als:
Wat
zijn de beweegredenen van mijn arts of chirurg om bij mij een onderzoek /
een behandeling / een operatie voor te stellen?
Zijn
er eventueel andere onderzoeksmogelijkheden / behandelingsmogelijkheden /
operatiemogelijkheden?
Wat
wordt er bij het onderzoek, de behandeling of de operatie gedaan?
Wat
zijn de risico's van het onderzoek / van de behandeling / van de operatie?
Welk
resultaat mag ik van het onderzoek / van de behandeling / van de operatie
verwachten?
Hoeveel
ervaring is er met het doen van het onderzoek / met het uitvoeren van de
behandeling / van de operatie?
Hoe
beoordelen behandelde patiënten dit onderzoek / deze behandeling / deze
operatie?
Welke
invloed heeft het onderzoek / de behandeling / de operatie op mijn
gezondheid en de kwaliteit van mijn leven?
Wat
kan er gebeuren als ik het onderzoek / de behandeling niet wil ondergaan of als ik me niet laat opereren?
Is
ziekenhuisopname noodzakelijk en zo ja, hoe lang kan de opname duren?
Wat
staat mij te wachten in de herstelfase na de behandeling / de operatie?
Wanneer
ben ik na het onderzoek / na de behandeling / na de operatie weer in staat
mijn normale activiteiten uit te oefenen?
Moet
ik rekening houden met restklachten of neveneffecten van het onderzoek / van
de behandeling / van de operatie?
Veel
van deze vragen zullen al spontaan door uw arts of chirurg tijdens de
voorlichting over het onderzoek, de behandeling of de operatie beantwoord zijn.
Het is daarbij goed u te realiseren dat geen enkele arts of chirurg het
resultaat van te voren volledig kan garanderen. Er zijn zo veel factoren, die
een rol kunnen spelen. Zo is elke gebeurtenis weer anders en afhankelijk van
lokale omstandigheden en reacties van elke individuele patiënt.
Vragen
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.
Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.
Tot slot
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.
Deze
folder geeft u informatie over de gang van zaken bij een poliklinische ingreep.
Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn
dan beschreven.
Een
poliklinische ingreep
Voor een medisch probleem bent u bij de arts geweest en die heeft een poliklinische ingreep geadviseerd. Om maar een voorbeeld te noemen: u hebt een kleine zwelling in de huid en de arts heeft u voorgesteld die zwelling onder plaatselijke verdoving op een (poliklinische) operatiekamer te laten verwijderen.
Hoe de ingreep precies bij u
zal worden uitgevoerd is afhankelijk van wat er bij u gedaan moet worden. De
arts zal u dit voor of tijdens de ingreep vertellen. U kunt gerust vragen
stellen.
De plaatselijke verdoving
wordt gegeven met behulp van één of meerdere verdovingsprikken rond het te
behandelen gebied. Deze verdoving kan zo'n 30 tot 60 minuten aanhouden en na de
ingreep kunt u dus al weer snel naar huis.
Noodzakelijke voorbereidingen
Als u ziek of verhinderd bent
Wanneer u de gemaakte afspraak
voor de poliklinische verrichting niet kunt nakomen, wilt u dit dan zo ruim
mogelijk van tevoren even telefonisch doorgeven. Wellicht lukt het nog om een andere patiënt van de
gereserveerde tijd gebruik te laten maken.
Een wond wordt na de ingreep
meestal gehecht. De hechtingen worden na de wondgenezing verwijderd. Het kan
zijn, dat de arts u vraagt de hechtingen door de huisarts te laten verwijderen
of dit wordt tijdens een poliklinische controle gedaan. Er wordt ook wel gebruik
gemaakt van oplosbare hechtingen, die hoeven niet verwijderd te worden.
Als
de verdoving uitgewerkt is, kunt u wat pijnklachten hebben, waarvoor u
pijnstillers als paracetamol kunt gebruiken. Deze zijn te koop bij apotheek en
drogist en het is raadzaam om voor de
ingreep al vast deze pijnstillers in huis te hebben.
Afhankelijk van de ingreep kan
het zijn dat het gebied rondom de plaats van de ingreep een paar dagen droog
moet blijven. De arts zal u een advies daarover kunnen geven. Met enige improvisatie
kunt u gerust douchen.
Soms wordt het bij de ingreep
verkregen weefsel opgestuurd voor pathologisch onderzoek. Na 7 tot 10 dagen is
meestal de uitslag bekend en kunt u die vernemen van de arts,
wanneer u voor controle op de polikliniek komt.
Geen
enkele ingreep is zonder risico’s. Gelukkig komen nabloedingen weinig
voor, evenals infecties. Ook complicaties die specifiek bij een bepaalde ingreep
kunnen voorkomen, treden gelukkig zelden op.
Vragen
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.
Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.
Tot slot
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.
Het gaat om de Meticilline Resistente Staphylococcus Aureus (MRSA). Deze
bacterie is
ongevoelig geworden voor de meeste soorten antibiotica. Infecties met MRSA
kunnen alleen behandeld worden met bepaalde soorten antibiotica die bijwerkingen
op de patiënt hebben en bovendien erg duur zijn. Dit in tegenstelling tot de
gewone Staphylococcus aureus die op de huid in de neus en de keel van mensen
voorkomt, zonder dat men enig ziekteverschijnsel constateert. Een infectie met
de gewon Staphylococcus aureus is heel goed te behandelen met de gangbare
soorten antibiotica.
Waarom maatregelen?
In een ziekenhuis hebben we te maken met mensen in een
verzwakte toestand. Alleen
voor deze mensen is de bacterie een mogelijke bedreiging. Voor gezonde mensen
met
een normale weerstand is er niets aan de hand. Mocht u tot de risico-groep
behoren,
dan zullen rondom uw behandeling (en eventuele opname) speciale maatregelen
worden genomen om te voorkomen dat deze bacterie zich gaat verspreiden in het
ziekenhuis.
Welke maatregelen?
Om vast te stellen of u besmet bent geraakt met MRSA worden uitstrijkjes gemaakt van keel, neus, bilnaad en van een eventuele wond op twee achtereenvolgende dagen. De uitslag hiervan is na ongeveer 5 dagen bekend.
Als u op de polikliniek komt zullen ziekenhuismedewerkers tijdens uw
behandeling
een overschort, handschoenen. neusmondmasker en eventueel een muts dragen.
Als u opgenomen moet worden ligt u alleen op een kamer. De ziekenhuismedewerkers zullen, vóór zij uw kamer binnengaan, een overschort, handschoenen, neus-mondmasker en een muts dragen. U mag de kamer niet verlaten, daarom zult u een eigen toilet of postoel moeten gebruiken. Telefoon en televisie zijn toegestaan.
Indien uit de uitslagen blijkt dat u niet besmet bent met MRSA worden alle
maatregelen opgeheven.
Bezoek
Alvorens men u bezoekt moet eerst contact worden opgenomen met de verpleging.
U mag niet meer dan twee bezoekers per keer ontvangen.
Na het bezoek aan u dienen uw bezoekers hun handen te desinfecteren met de aanwezige alcohol.
Na u te hebben bezocht dient men het ziekenhuis direct te verlaten om
besmetting van andere patiënten te voorkomen. Mocht uw bezoek nog andere
patiënten willen bezoeken of inkopen willen doen bij de ziekenhuiswinkel, dan
wordt dringend verzocht dat uw bezoek dit doet vóór het bezoek aan u.
Mocht u nog vragen hebben, dan zal de
verpleegkundige die graag beantwoorden.
Wij hopen natuurlijk dat alle maatregelen uiteindelijk niet nodig blijken te
zijn en dat u weer snel en gezond het ziekenhuis kunt verlaten.
laatst bijgewerkt 06-01-05