lymfeafvloed in de borstklier
KNOBBELTJE IN DE BORSTDeze
folder informeert u over de gang van zaken bij een afwijking (knobbeltje) in de
borst. Het is goed u te realiseren dat voor u
persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven.
Borstafwijkingen bij vrouwen
komen veel voor. Vaak zijn dit onschuldige afwijkingen, slechts in een
minderheid van de gevallen hebben we met kwaadaardige gezwellen te maken. Toch
is het nodig om bij een verandering aan de borst uit te laten zoeken wat er aan
de hand is.
In deze folder wordt
achtereenvolgens aandacht besteed aan de bouw van de borst, veranderingen in of
aan de borst, de aard van de veranderingen en de onderzoeken die er zijn om vast
te stellen om welke aandoening het gaat. Met kennis van deze onderwerpen kunt u
beter met uw arts meedenken en zelf meebeslissen over een eventuele behandeling.

Onder de gladde huid van de borst voelt het bobbelig aan. Deze bobbeltjes zijn de melkklieren. Zij zijn over het algemeen vrij zacht en voelen in beide borsten hetzelfde aan. Samen vormen de melkklieren het borstklierweefsel. Om de melkklieren heen ligt vet- en bindweefsel, ook wel steunweefsel genoemd.
Bij de meeste vrouwen zijn de borsten niet gelijk: de ene borst is iets groter dan de andere, de ene tepel zit iets hoger dan de andere.
Sommige vrouwen hebben vlak
voor de menstruatie gezwollen en pijnlijke borsten en voelen dan knobbeltjes.
Over het algemeen zijn dit onschuldige verschijnselen die samenhangen met
hormonale veranderingen in het lichaam.
De meest voorkomende verandering in de borst is een knobbeltje. Hiermee wordt een verdikking bedoeld die anders aanvoelt dan de bobbeligheid die normaal te voelen is. Knobbeltjes kunnen heel verschillend aanvoelen. Het kan een plek zijn die niet echt rond is en wat stugger en harder aanvoelt dan de rest van het klierweefsel. Het kan ook een kogelrond knobbeltje zijn dat als een knikker onder de vingers wegglijdt. In de meeste gevallen doet een knobbeltje geen pijn.
Naast een knobbeltje in de borst kunnen er zich ook andere afwijkingen voordoen:
|
Een verdikt strengetje naast de tepel. | |
|
Deukjes of kuiltjes in de huid. | |
|
Een tepel die sinds kort naar binnen trekt. | |
|
Een verandering van de tepel waarbij verschijnselen optreden als roodheid, schilfertjes en een soort eczeem. | |
|
Vocht uit de tepel (waterig, melkachtig, soms ook wat bloederig). |
Pijn in de borst op een plek waar ook het klierweefsel anders aanvoelt.
Voor al deze veranderingen is
medisch onderzoek aangewezen, want alleen dat kan uitwijzen of een verandering
in of aan de borst goedaardig of kwaadaardig is.
|
Een veel voorkomende goedaardige tumor is een bindweefselknobbel (fibro-adenoom). Deze knobbel ontstaat door wildgroei in het bindweefsel. Zij drukt het omringende weefsel opzij, maar tast gezonde cellen niet aan. | |
|
Dit geldt ook voor de vetweefselknobbel (lipoom), een goedaardige tumor die ontstaat vanuit het vetweefsel in de borst. Vetweefselknobbels voelen in het algemeen zacht aan. | |
|
Een cyste is een andere veel voorkomende goedaardige aandoening. Een cyste is een met vocht gevulde holte. Een cyste kan ontstaan door verstopping van een uitvoergangetje van een melkklier. Als de borsten gespannen zijn, is een cyste te voelen als een ronde, stevige knobbel. Er kunnen meer cysten in een of beide borsten voorkomen. | |
|
Mastopathie is een verzamelnaam voor goedaardige aandoeningen in het klierweefsel van de borsten. Het borstklierweefsel voelt onregelmatig aan, er worden een of meer knobbels, strengetjes, schijfjes of brokjes gevoeld. Ook kunnen de borsten heel gespannen zijn. Soms is er afscheiding uit de tepel(s). Mastopathie kan voorkomen in één borst of in beide borsten. Veel vrouwen hebben er met name voor de menstruatie last van, anderen altijd. |
Bij een kwaadaardige tumor dringen de tumorcellen de omringende weefsels binnen en tasten deze ook aan. Ook kunnen cellen van een kwaadaardig gezwel zich door het lichaam verspreiden. Op deze manier ontstaan op andere plaatsen in het lichaam uitzaaiingen (metastasen).
Alleen wanneer er sprake is van
een kwaadaardige tumor spreken we van kanker.
Bij veranderingen in of aan de borst is na het lichamelijk onderzoek van de borsten (inspectie en bevoelen) vaak verder onderzoek nodig. Dat onderzoek vindt plaats in het ziekenhuis.
|
Mammografie |
Bij dit röntgenonderzoek moet de borst worden plat gedrukt. Dit is erg onplezierig, maar het is nodig om een scherpe afbeelding van het borstweefsel te kunnen maken. Bij een mammografie worden er altijd foto's van beide borsten gemaakt. Op deze borstfoto's zijn vaak al hele kleine veranderingen te zien, soms zelfs als ze nog niet eens voelbaar zijn.
|
Echografie |
Bij
een echografie wordt met behulp van geluidsgolven een afbeelding van de borsten
gemaakt. Dit levert informatie op over de verschillende weefsels in de borst. Op
deze manier kan een arts bijvoorbeeld een cyste onderscheiden van een
andersoortige knobbel. Vooral bij jonge vrouwen kan een echografie meer
informatie geven dan de mammografie. Dat komt, omdat de structuur van het jonge
borstklierweefsel vaak geen betrouwbare beoordeling van de mammografie toelaat.
Op grond van de uitkomsten van de eerste onderzoeken (inspectie en bevoelen, de mammografie en eventueel een echografie) kan een chirurg bepalen of er verder weefselonderzoek nodig is. Vaak wordt er in dat geval eerst een punctie verricht. Zonodig kan daarna een biopsie volgen.
|
Punctie |
Bij een punctie worden uit een duidelijk voelbaar knobbeltje met behulp van een dunne naald weefselcellen en/ of vocht opgezogen. Het opgezogen materiaal wordt onderzocht onder de microscoop. Het microscopisch onderzoek kan meer informatie geven over de aard van het knobbeltje: of het om een goedaardig of een kwaadaardig knobbeltje gaat.
Bij een cyste kan deze met een punctie geheel worden leeggezogen. De borstafwijking is dan meteen behandeld.
Een punctie kan poliklinisch gebeuren en er is geen verdoving voor nodig.
|
Biopsie met boornaald |
Een boornaald-biopsie wordt uitgevoerd met een grotere naald, die het mogelijk maakt meer weefsel weg te nemen uit het gezwel. Het onderzoek kan poliklinisch gebeuren en vaak wordt de huid verdoofd.
|
Stereotactische punctie |
Als
er geen knobbeltje voelbaar is in de borst kan met behulp van een
computergestuurd mammografisch onderzoek toch een punctie gedaan worden. Nadat
de mammogrammen zijn gemaakt, analyseert een computer de beelden om het gezwel
te lokaliseren. Daarna worden met een naald cellen of weefsel verwijderd. Het
onderzoek kan poliklinisch gebeuren en er is geen verdoving voor nodig.
|
Lokalisatie onderzoek van de borst |
voor een beeldverslag van de procedure, klik hier
Als het gezwel moeilijk of niet te voelen is, kan een borstnaaldlokalisatie worden uitgevoerd.. Met behulp van speciale geleiders in het toestel voor borstfoto’s kan de radioloog via een naald een metalen draad in de afwijking plaatsen. Tijdens de operatie kan de chirurg door het volgen van de metalen draad de afwijking vinden en deze dan vervolgens verwijderen.
|
Biopsie |
Een
biopsie is nodig wanneer het op een andere wijze niet lukt om cellen of weefsel
te verkrijgen om een diagnose te kunnen stellen. Via een sneetje in de huid
neemt de chirurg een afwijkend stukje weefsel weg. Dit stukje weefsel wordt
onder de microscoop onderzocht. Per situatie is het verschillend of een biopsie
onder plaatselijke of algehele anesthesie (narcose) plaatsvindt en of opname van
een dag in het ziekenhuis nodig is.
Afhankelijk
van de aard van het knobbeltje of de verandering in of aan de borst en de
klachten die er zijn, wordt in gezamenlijk overleg besloten welke behandeling
het beste is. Soms kan worden volstaan met een regelmatige controle. In andere
gevallen kan het beter zijn om het knobbeltje of de verandering in of aan de
borst operatief te verwijderen Daarnaast kan een behandeling met hormonen of
andere geneesmiddelen nodig zijn.
Er is een Stichting ‘Begeleidingsgroep voor Vrouwen met Mastopathie’ (SBVM). Het adres voor meer informatie is:
Postbus 2238
5202 CE’s Hertogenbosch
telefoon
:073-6212134
Vragen
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts. Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.
Tot slot
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.
Voorlichtingscentrum KWF Nederlandse Kankerbestrijding
Hebt u vragen over kanker van meer algemene aard of wilt u voor uw bezoek aan de arts eerst eens met iemand anders over uw vragen praten, dan kunt u ondermeer terecht bij het Voorlichtingscentrum KWF Nederlandse Kankerbestrijding, Sophialaan 8, 1075 BR Amsterdam. Het centrum is open van maandag tot en met vrijdag van 9.00 tot 17.00 uur. U kunt zo binnenlopen, maar als u eerst even opbelt, kan men met uw bezoek rekening houden.
U kunt ook schrijven of uw vragen bespreken via de hulp- en informatietelefoon:
0800 0226622
Deze
folder geeft u een globaal overzicht over de operatie voor borstkanker. Het
is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan
beschreven.
Afhankelijk van de grootte en de aard van het kwaadaardige weefsel, kan borstkanker in de regel op twee manieren behandeld worden:
|
Een borstsparende operatie |
voor een beeldverslag van een borstsparende operatie met schildwachtklierprocedure klik hier
Het gezwel wordt ruim uit de borst weggenomen. De lymfeklieren in de okselholte aan de zijde van de behandelde borst worden ook verwijderd, meestal via een aparte snee.
Bestraling (radiotherapie) is na deze operatie altijd noodzakelijk om mogelijke in het borstklierweefsel achtergebleven kwaadaardige cellen alsnog uit te schakelen.
|
Een borstamputatie |
voor een beeldverslag van een borstamputatie met schildwachtklierprocedure klik hier
De
gehele borst wordt samen met de lymfeklieren in de oksel verwijderd. Soms kan
het noodzakelijk zijn een gedeelte van de borstwandspieren mee te verwijderen
met de bedoeling het gezwel ruim uit te nemen. Wanneer na de operatie bij
weefselonderzoek blijkt dat het gezwel toch te dicht is genaderd tot de randen
van het weggenomen weefsel, is bestraling alsnog aangewezen.
Deze beide behandelingen hebben
een gelijke kans op genezing. Het vanzelfsprekende voordeel van de borstsparende
behandeling is dat de borst behouden blijft. De vorm en kleur van de borst
kunnen door de intensieve behandeling wel enige verandering vertonen, in
vergelijking met de andere borst.
De borstsparende behandeling is niet aangewezen als het gezwel te groot is in verhouding tot de grootte van de borst. In dat geval is het cosmetisch resultaat teleurstellend.
Als er meer dan één gezwel in
de borst is of als er uitgebreide uitlopers van borstkanker zijn, komt de
borstsparende behandeling ook niet in aanmerking. Er is dan een verhoogd risico
dat na borstsparende behandeling het gezwel weer in de borst uitgroeit. De
groeiwijze van de tumor is soms ook een reden om niet tot een borstsparende
behandeling over te gaan. Wordt wel aan alle voorwaarden voldaan dan is een
borstsparende behandeling een verantwoorde keuze. De uiteindelijke keuze van
behandeling is aan u, maar uw chirurg zal u daarin gaarne bijstaan en zo nodig
van verder advies dienen.
Bij een borstamputatie, waarbij
radiotherapie in het algemeen niet aangewezen is, is de gehele behandelingsduur
korter.
Na een borstamputatie kunt u
een reconstructie van de borst overwegen. Er zijn verschillende manieren waarop
de plastisch chirurg de reconstructie kan uitvoeren. U kunt altijd via uw
chirurg advies vragen aan de plastisch chirurg.
Het verwijderen van alle okselklieren is tegenwoordig onderwerp van discussie en wetenschappelijk onderzoek. Daarbij gaat het om de zogenaamde ‘schildwachtklier’. Meer informatie hierover kunt u vinden in de folder “Verwijdering van de Schildwachtklier” of Verwijdering van de swk bij borstkanker
Geen enkele ingreep is vrij van de kans op complicaties. Zo zijn er ook bij borstoperaties de normale risico's op complicaties van een operatie zoals trombose, longontsteking, nabloeding, wondinfectie.
Een operatie voor borstkanker is lichamelijk gezien geen zware operatie. Vrouwen op hogere leeftijd kunnen de operatie veilig doorstaan.
Doordat meestal de
gevoelszenuwen die dwars door de oksel lopen moeten worden weggenomen, kunt u na
de operatie aan de binnenkant van de bovenarm een gevoelloos gebied ontdekken.
Dit gebied 'slaapt'. Dit 'nare' gevoel is blijvend.
|
Drains |
Om bloed en wondvocht weg te zuigen zijn er één of twee dunne slangetjes (drains) in het operatieterrein aangebracht. Een drain kan meestal na enkele dagen verwijderd worden, soms kan een drain ook wel een week nodig zijn. Daarna kan toch nog wondvochtophoping (seroomvorming) ontstaan. Dit kan met behulp van een spuit met naald worden aangeprikt en weggezogen.
|
Stijve arm |
Door de operatie is de arm aan de kant van de geopereerde borst stijf geworden. U wordt geadviseerd uw arm te oefenen. Het is van belang dat u de armoefeningen die u in het ziekenhuis leert, thuis voortzet. Probeer een aantal keren (een tot vier) per dag te oefenen. Forceer u zelf niet. Meestal is de functie van de arm en de schouder na enige maanden weer vrijwel normaal.
|
Dikke arm |
Wanneer
bij de operatie de okselklieren verwijderd zijn, kan het lymfevocht vanuit de
arm minder gemakkelijk worden afgevoerd. Er ontstaat extra lymfevocht als u te
veel zwaar werk doet met uw arm of wanneer u aan uw arm of hand een ontsteking
krijgt. Ontzie daarom uw arm en draag handschoenen bij huishoudelijk werk en bij
het werken in de tuin. De kans op een hinderlijke dikke arm na verwijdering van
de okselklieren is vijf tot tien procent. Dat wil zeggen dat meer dan 90% van
alle vrouwen geen dikke arm heeft en normaal kan functioneren. Als uw arm toch
dikker of gezwollen wordt, raadpleeg uw specialist of huisarts. Kijk voor meer
informatie hierover in de folder “Lymfoedeem van de arm”.
De uitslagen van het
microscopisch onderzoek van het verwijderde borstklierweefsel en de lymfeklieren
zijn na ongeveer een ŕ twee weken bekend en worden met u besproken. Naar
aanleiding van deze bevindingen kan een aanvullende behandeling zoals
radiotherapie (bestraling), hormonale therapie of chemotherapie worden
geadviseerd. In dat geval ontvangt u nadere informatie.
Een
erfelijke vorm van borstkanker komt voor, maar dat is slechts in minder dan 5%
van de gevallen. Toch kan op grond van bepaalde gegevens, bijvoorbeeld wanneer
borstkanker veel in een familie voorkomt, er aanleiding bestaan om onderzoek te
doen naar een erfelijke vorm. In dat geval wordt met u overlegd of het zinvol is
om u door te verwijzen naar een afdeling klinische genetica
(erfelijkheidsonderzoek).
Voor het ontslag wordt u indien nodig geďnformeerd over de mogelijkheden van een prothesevoorziening. Tevens krijgt u desgewenst de adressen van informatiecentra, lotgenotencontact en professionele begeleiding.
Bij ontslag krijgt u een afspraak mee voor de poliklinische controle.
Hebt u tijdens uw opname behoefte om met iemand te praten die eenzelfde borstoperatie heeft ondergaan, geeft u dat dan door aan de verpleegkundige. Ook kunt u contact opnemen met een lotgenote als u weer thuis bent. Dit kan eventueel via de Borstkanker Vereniging Nederland (voorheen LCBB). Wanneer u meer wilt weten, kunt u kontact opnemen met:
Borstkanker Vereniging Nederland
Postbus 8065
Tel : 030-2917222
E-mail:
borstkankervereniging@wirehub.nl
http://www.kankerpatient.nl/BVN/
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts. Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of
onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.
![]()
VERWIJDERING VAN DE SCHILDWACHTKLIER
bij
borstkanker
Inleiding
Deze
folder geeft u informatie over de procedure bij het verwijderen van een
schildwachtklier. Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie
anders kan zijn dan beschreven.
Achtergrond
van deze behandeling
Bij
een operatie voor borstkanker werden tot nu toe behalve de tumor, ook de
lymfeklieren (ongeveer 10 tot 20) uit de oksel verwijderd, het zogenaamde okselkliertoilet. De lymfeklieren worden onderzocht om te kijken of er
uitzaaiingen in zitten. Dit is van belang om eventueel aanvullende behandeling
(medicijnen en/of bestraling) te adviseren.
In bepaalde situaties, bijvoorbeeld wanneer er klieren in de oksel zijn te voelen, is de kans op uitzaaiingen zo groot, dat het okselkliertoilet als standaard ingreep zal worden uitgevoerd. Maar wanneer er geen klieren te voelen zijn in de oksel, komt het regelmatig voor (bij meer dan de helft van de vrouwen) dat, wanneer er een okselkliertoilet wordt uitgevoerd, er geen uitzaaiingen in de lymfeklieren worden aangetroffen.
Achteraf
blijkt het weghalen van de lymfeklieren dan een overbodige ingreep te zijn
geweest. Dat is jammer, want het verwijderen van de lymfeklieren (oftewel okselkliertoilet) kan aanleiding geven tot klachten, zoals:
|
gevoelsstoornis
onder de arm en aan de zijkant van de romp | |
|
verhoogde
gevoeligheid voor infecties aan de arm | |
|
bewegingsbeperking
van de schouder | |
|
een
dikke arm (lymfoedeem) |
Daarom
is gezocht naar een methode om het onnodig verwijderen van de okselklieren te
voorkomen en toch dezelfde informatie te krijgen over de aan- of afwezigheid van
uitzaaiingen hierin.
Nieuwe
operatie techniek
Een
nieuwe operatie techniek maakt het mogelijk de belangrijkste lymfeklier op te
sporen, die via een lymfevat rechtstreeks in verbinding staat met het gezwel in
de borst. Deze lymfeklier (sentinel node of schildwachtklier of
poortwachterklier) bevindt zich meestal in de oksel, een enkele keer naast het
borstbeen. Soms gaat het om meer dan één klier. Zo’n klier wordt als eerste
aangetast wanneer het gezwel zich gaat uitzaaien via de lymfebanen. Pas daarna
worden de overige lymfeklieren aangetast.
In
onderzoek is de waarde van deze nieuwe behandeling onderzocht. De
schildwachtklier kan bij meer dan 90% van de patiënten worden gevonden. Als bij
microscopisch onderzoek geen tumorcellen in de verwijderde klier worden gevonden
is dit bij meer dan 95% van de vrouwen correct. Bij een kleine groep patiënten
(minder dan 5%) wordt de uitzaaiing gemist; de schildwachtklier is dan schoon,
terwijl er in andere klieren in de oksel toch tumorcelletjes voorkomen. Wanneer
deze na verloop van tijd toch tot ontwikkeling komen kan alsnog een okselkliertoilet worden verricht, gevolgd door aanvullende behandeling
(medicijnen en/of bestraling).
Voor
de behandeling van de kwaadaardige tumor zélf heeft deze procedure geen
gevolgen. Het voordeel van deze beperkte operatie (alleen verwijderen van de
schildwachtklier) is dat de eerder genoemde nadelen van het okselkliertoilet nog
maar bij een klein deel van de patiënten zullen optreden.
Aangezien
deze schildwachtklier procedure vrij nieuw is, wordt hij nog niet overal
uitgevoerd en in veel ziekenhuizen alleen nog in onderzoeksverband uitgevoerd.
De
procedure
Om
de schildwachtklier te kunnen opsporen wordt een kleine hoeveelheid van een
radioactieve stof met een injectie om het gezwel of de plaats waar het gezwel
heeft gezeten, ingespoten. Dit gebeurt op de ochtend van de operatie of de
middag ervoor. Deze vloeistof stroomt van het gezwel door het lymfevat naar de
schildwachtklier. Na verloop van enige tijd kan men, door foto’s te maken (dit
duurt ongeveer twee keer15 minuten), zien in welk gebied de schildwachtklier
moet worden gezocht. Meestal is dit in de oksel, soms naast het borstbeen. Met
een stift wordt deze plaats op de huid aangetekend. Dat er een klier zichtbaar
wordt betekent niet dat er ook een uitzaaiing in de klier zal zitten, het is
immers de schildwachtklier die nog onderzocht moet worden.
Bij de operatie wordt, nadat u in slaap bent gemaakt, een kleine hoeveelheid blauwe inkt om het gezwel of op de plaats waar het gezwel heeft gezeten, ingespoten. Ook deze kleurstof stroomt via de lymfebanen naar de schildwachtklier. Deze kleurt nu blauw en is bovendien nog steeds radioactief. Bij de operatie kan de chirurg nu de schildwachtklier goed herkennen aan de blauwe kleur en aan de resterende radioactiviteit. De schildwachtklier wordt verwijderd; deze procedure neemt ongeveer een half uur tijd in beslag.
Vervolgens wordt een borstsparende operatie, een borstamputatie of een andere procedure verricht, zoals tevoren met u is besproken. Het aangemerkte kliermateriaal wordt naar de afdeling Pathologie gestuurd voor microscopisch onderzoek, om vast te kunnen stellen of er uitzaaiingen zijn. Als deze niet worden gevonden worden de overige lymfeklieren niet verwijderd. Wanneer er wel uitzaaiingen in de schildwachtklier worden gevonden dan zullen ook de overige lymfeklieren uit de oksel worden verwijderd.
Afhankelijk
van de procedure van het microscopisch onderzoek in uw ziekenhuis zal dat okselkliertoilet tijdens dezelfde of een volgende aparte operatie plaatsvinden.
Bij een zogenaamde negatieve schildwachtklier (geen tumorcellen gevonden) blijft
er een kleine kans dat er bij nader microscopisch onderzoek in de schilwachtklier toch tumorcellen zitten. Uw vooruitzichten lijken hierbij niet
ongunstiger te zijn dan wanneer de lymfeklieren direct waren verwijderd.
Als
het tijdens de operatie bij borstkanker niet lukt de schildwachtklier op te
sporen zal de standaard operatieve behandeling volgen, waarbij de lymfeklieren
uit de oksel worden verwijderd, het zogenaamde okselkliertoilet.
Bijwerkingen
Van
de radioactiviteit zijn geen bijwerkingen te verwachten. De hoeveelheid
radioactiviteit die wordt toegediend geeft minder dan 25% van de natuurlijke
stralen belasting waaraan u in Nederland per jaar bloot staat. De blauwe
kleurstof die tijdens de operatie wordt ingespoten kan er voor zorgen dat uw
urine gedurende de eerste dagen na de operatie groen van kleur is. Ook kan het
gebied waar de blauwe inkt is ingespoten enkele weken tot maanden blauw
verkleurd blijven.
Wat
gebeurt er als u niets voelt voor deze nieuwe operatie techniek?
Als
u niets voelt voor deze nieuwe okselklier besparende behandeling zal de
standaard operatieve behandeling worden uitgevoerd, waarbij de lymfeklieren uit
de oksel worden verwijderd tijdens de borstsparende operatie of borstamputatie.
Na
de operatie
De
gang van zaken na de operatie zal doorgaans bepaald worden door de ingreep aan
de borst.
Er
blijft meestal een drain in het wondgebied van de borst achter, die veelal na 1
of 2 dagen kan worden verwijderd. Als er een okselkliertoilet is verricht zit er
ook een drain in het gebied waar de okselklieren hebben gezeten; deze zal na
enkele dagen worden verwijderd. Dit kan eventueel poliklinisch.
De
definitieve uitslag van het microscopisch onderzoek van de schildwachtklier en
de overige lymfeklieren duurt ongeveer 10 tot 14 dagen. Als er geen uitzaaiingen
zijn en de tumor in de borst voldoende ruim verwijderd is, dan bent u wat
betreft de chirurgische behandeling klaar. Bij borstbesparende behandeling volgt
dan uiteraard nog de bestraling. Soms wordt toch nog een aanvullende behandeling
met medicijnen gegeven. Wanneer alsnog uitzaaiingen in de schildwachtklier
worden gevonden, zal opnieuw een operatie nodig zijn waarbij de resterende
lymfeklieren in de oksel worden verwijderd.
Vragen
Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts. Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.
Tot slot
Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.
![]()
(Borstvorming bij de man)
INLEIDING
Deze folder geeft u een globaal overzicht van de mogelijke oorzaken en klachten van gynaecomastie (borstvorming bij de man) en de meest gebruikelijke behandelingsmogelijkheden.
Het is goed u te realiseren dat bij het vaststellen van een aandoening de situatie voor iedereen weer anders kan zijn.
WAT IS GYNAECOMASTIE EN HOE ONTSTAAT HET?
Als baby hebben zowel meisje als jongens kleine klierschijfjes achter de tepel. Doorgaans verdwijnen deze klierschijven bij de jongens in de kindertijd. In de pubertijd zal onder invloed van hormonen bij meisjes borstvorming ontstaan. Ook bij jongens komt het regelmatig voor dat in de pubertijd onder invloed van hormonen de borstklieren gaan opzwellen. Meestal is dat dubbelzijdig, maar het kan ook wel eens enkelzijdig zijn. De in de pubertijd ontstane vergroting is meestal kortdurend, maar kan ook meer dan drie jaar blijven bestaan.
Op babyleeftijd en in de pubertijd is deze borstklierzwelling bij de man 'fysiologisch'. Dat wil zeggen dat het niet abnormaal is, maar een normale reactie is van de borstklier op hormonen. Vanaf middelbare leeftijd kan de borstklier bij de man tijdens het ouder worden ook gaan opzwellen. Ook dat wordt als fysiologisch beschouwd. Toch kunnen op oudere leeftijd andere mogelijke oorzaken eveneens een rol spelen bij het ontstaan van de gynaecomastie. Een borstkliervergroting bij de man is meestal te voelen als een elastische zwelling van ongeveer één ŕ twee centimeter achter de tepel.
Wanneer de gynaecomastie niet-fysiologisch is, kan de gynaecomastie ontstaan zijn:
- Als bijwerking van bepaalde medicijnen.
- Als reactie op stofwisselingsveranderingen bij lever- of nierziekte.
- Bij verandering in de productie van de hormonen (te geringe produktie door de zaadbal, stress) of bij het slikken van hormonen.
- Bij hormoonproducerende gezwellen van zaadbal of luchtwegen.
- Als borstkanker bij de man.
Meestal echter kan er bij een niet-fysiologische gynaecomastie geen oorzaak worden gevonden.
Er kan overigens ook sprake zijn van pseudo-gynaecomastie: de borstklier zelf is dan niet afwijkend, maar door vetafzetting zijn er 'borsten' ontstaan.
WELKE KLACHTEN KAN GYNAECOMASTIE GEVEN?
Er kunnen cosmetische bezwaren zijn, dat wil zeggen dat men de gynaecomastie niet bij het lichaam vindt passen. Het kan ook hinderlijk zijn, bijvoorbeeld bij het dragen van bretels of van een rugzak. Soms worden pijnklachten aangegeven. Maar meestal geeft het ontdekken van de gynaecomastie aanleiding tot ongerustheid.
IS ER NOG NADER ONDERZOEK NODIG?
Bij fysiologische gynaecomastie op babyleeftijd en in de pubertijd zal de arts meestal volstaan met een lichamelijk onderzoek.
Wanneer de kans op niet-fysiogische gynaecomastie aanwezig is kan aanvullend onderzoek worden ingezet. Dat kan een bloedafname zijn om bepaalde stoffen in het bloed te kunnen onderzoeken. Er kan een echo worden gemaakt van de borstklier, van de zaadballen en/of van de lever. Soms wordt er een röntgenfoto gemaakt van de borstklier en/of van de longen.
Bij het vermoeden van een kwaadaardige aandoening kan een celonderzoek worden ingezet na een 'punctie'. Er wordt dan met een naaldje in het weefsel geprikt om cellen te verkrijgen.
WAT ZIJN DE BEHANDELINGSMOGELIJKHEDEN?
Bij fysiologische gynaecomastie is geruststelling en een afwachtende houding gerechtvaardigd. Bij niet-fysiologische gynaecomastie zal afhankelijk van de oorzaak een behandelingsplan worden opgesteld. Zo zal, wanneer de gynaecomastie bijvoorbeeld het gevolg is van medicijngebruik, bekeken worden of het medicijn kan worden vervangen of worden gestopt. Wanneer het borstkanker blijkt te zijn, dan wordt doorgaans het gebied met de borstklier en de tepel verwijderd samen met de okselklier aan die kant. Is een zaadbalgezwel de oorzaak, dan zal, nadat de zaadbal is verwijderd, er weer een ander behandelingsplan worden gemaakt.
Wanneer de oorzaak niet duidelijk is, kan afhankelijk van de omstandigheden en de klachten worden besloten tot een operatie. Daarbij zal het klierweefsel onder de tepel door worden verwijderd. Deze operatie wordt soms onder plaatselijke verdoving, maar vaak onder narcose uitgevoerd. Meestal gebeurt het in dagbehandeling, een eendagsopname.
MOGELIJKE COMPLICATIES VAN DE OPERATIEVE BEHANDELING
Geen enkele ingreep is vrij van de kans op complicaties. Zo zijn er ook bij deze operatie de normale risico's op complicaties van een operatie, zoals trombose, longontsteking, nabloeding en wondinfectie.
Daarnaast zijn er nog een paar zeldzame complicaties mogelijk: wanneer onder de tepel door wordt geopereerd, kan er wel eens littekenvorming van de tepel ontstaan, of de tepeldoorbloeding kan in het gedrang komen.
NA DE OPERATIE
Na de operatie zal het operatiegebied gevoelig zijn. Meestal is een eenvoudige pijnstiller voldoende om het ongemak te verlichten. De hechtingen kunnen na zeven tot tien dagen worden verwijderd.
Een verwijderde borstklier wordt meestal voor pathologisch onderzoek opgestuurd. Bij de eerste poliklinische controle na de operatie is de uitslag doorgaans bekend.
laatst bijgewerkt 02-01-05