De behandelfase

 Borstkanker & risicofactoren / Operatie voor borstkanker / De ziekenhuisopname / Het weefselonderzoek / Bestraling en behandeling met medicijnen / Wetenschappelijk onderzoek / Alles nog eens voor u op een rij

Inleiding

Dit boekje is een vervolg op het boekje ‘Borstafwijkingen’. Bent u niet in het bezit van dit boekje, dan kunt u het alsnog in uw bezit krijgen via uw specialist of verpleegkundige.

De informatie in dit boekje is bedoeld als algemene voorlichting; een inleiding voor de gesprekken met uw zorgverleners. Het is goed u te realiseren dat bij het vaststellen van een aandoening de situatie bij iedereen weer anders kan zijn. Daardoor heeft elke vrouw die te maken krijgt met borstkanker haar eigen vragen en problemen.

Dit boekje heeft als doel:

u als patiënt zo veel mogelijk informatie te geven over borstkanker en de behandeling daarvan.

duidelijke antwoorden te geven op uw vragen zodat u weloverwogen keuzes kunt maken en bewust(er) mee kunt beslissen over de onderzoeken en behandelingen.

ook uw partner, familie en vrienden zo duidelijk mogelijk te informeren over de behandeling en alles wat daarbij komt kijken. Zij zullen u dan beter kunnen begrijpen en ondersteunen.

een overzicht te geven welke informatie u over de behandeling heeft gehad en welke u nog dient te ontvangen.

Wilt u over een bepaald onderwerp meer lezen, dan staat onder elk hoofdstuk vermeld welke informatie hierover beschikbaar is. Alle genoemde folders kunt u bij de mammacare, mammacareverpleegkundige of gespecialiseerde oncologie verpleegkundige aanvragen.

Mogelijk hebt u na het lezen van dit boekje nog vragen. Het is verstandig die op te schrijven, zodat u in de gesprekken met uw zorgverleners geen belangrijke vragen vergeet.

Als u de behandelwijzer bij elk bezoek aan uw specialist, verpleegkundige of huisarts meeneemt, kan mondelinge informatie ondersteund worden met de schriftelijke informatie uit deze behandelwijzer.

Borstkanker en risicofactoren

Wat is borstkanker?

Zoals bij alle soorten kanker, is er bij borstkanker sprake van cellen met een ontregelde celdeling. Door deze ontregelde celdeling kunnen cellen zich ongeremd vermenigvuldigen en uitgroeien tot een gezwel (kanker). Als de tumor niet wordt weggehaald en/of behandeld, zal deze steeds verder doordringen in het gezonde weefsel. De kans bestaat dan dat kankercellen zich door het hele lichaam verspreiden.

Risicofactoren

Waarom de ene vrouw wel en de andere vrouw geen borstkanker krijgt, is vaak niet duidelijk. De voor borstkanker bekende risicofactoren kunnen minder dan de helft van alle gevallen verklaren. Deze bekende factoren zijn: borstkanker in de familie (ongeveer 5% van alle gevallen is te wijten aan erfelijke factoren), kinderloosheid, eerste voldragen zwangerschap op latere leeftijd, eerste menstruatie op jongere leeftijd, late overgang en overgewicht na de overgang. Vrouwen die langdurig de pil gebruiken hebben een licht verhoogd risico, maar het aantal vrouwen dat door pilgebruik borstkanker krijgt is zeer gering. Daarnaast verdwijnt het verhoogde risico 5 tot 10 jaar na stoppen met de pil. Ook hormoongebruik in de overgang verhoogt in geringe mate het risico op borstkanker. Dit verhoogde risico blijft tot 5 jaar nadat gestopt is bestaan. Tenslotte is aangetoond dat het risico op borstkanker stijgt bij consumptie van 3 of meer glazen alcohol per dag. Borstvoeding en ook lichamelijke activiteit zouden beschermend werken. Effecten van voeding (o.a. vet en groenten/fruit) op het ontstaan van borstkanker zijn tot op heden niet aangetoond. 

aantallen en leeftijdsverdeling 

Borstkanker is de vorm van kanker die het meest bij vrouwen voorkomt. Bijna een derde van alle vrouwen die kanker krijgen heeft borstkanker. Bij mannen komt deze vorm nauwelijks voor (1 op de 8-9 vrouwen en 1 op de 1500 mannen krijgt borstkanker). Veel gevallen worden tegenwoordig ontdekt bij het bevolkingsonderzoek. Naar verwachting zal de sterfte door dit screeningsprogramma afnemen. Borstkanker komt met name bij vrouwen van 30 jaar en ouder voor. De meeste vrouwen bij wie deze vorm wordt ontdekt zijn tussen de 45 en 75 jaar. Het komt nogal eens voor dat gelijktijdig of op een later tijdstip eveneens kanker in de andere borst wordt vastgesteld.

Erfelijkheidspoli

In Nederland zijn onderzoekscentra (Klinische Genetische Centra, Poliklinieken Erfelijke Tumoren) waar men terecht kan met vragen over erfelijkheid. Voor een gesprek is een verwijzing door uw specialist of huisarts noodzakelijk. Het Waterlandziekenhuis werkt hiervoor nauw samen met het VU Medisch Centrum te Amsterdam

Aanvullende informatie kunt u lezen in de KWF-folders ‘Borstkanker’, ‘Erfelijke borstkanker’, ‘Kanker en erfelijkheid’, ‘Kanker in de familie?!’ en de folder ‘Familieonderzoek’ van het VUmc-ziekenhuis.

Operatie voor borstkanker

De behandeling van borstkanker bestaat meestal uit een operatie, eventueel gevolgd door bestraling en/of behandeling met medicijnen. Het doel van de operatie is om het tumorweefsel uit de borst weg te halen en informatie te krijgen over de tumor en de lymfeklier(-en). Deze lymfeklier(-en) worden onder de microscoop onderzocht op eventuele uitzaaiingen. In dit hoofdstuk worden de twee meest toegepaste operatiemogelijkheden en de lymfklieroperatie uiteengezet.

Borstsparende operatie

Bij een borstsparende operatie wordt de tumor en een ruime hoeveelheid omringend gezond weefsel verwijderd. Soms is de tumor wel zichtbaar op het mammogram, maar niet te voelen. Dan wordt de borstsparende operatie voorafgegaan door een draadlokalisatie. Deze informatie vindt u  in boekje 1 borstafwijkingen.

Na een borstsparende operatie volgt vrijwel altijd bestraling van de borst om mogelijk achtergebleven kankercellen te vernietigen. Patiënten onder de 50 jaar krijgen 6 weken bestraling, patiënten boven de 50 jaar worden 3 weken met bestraling nabehandeld.

De uitslag van het weefselonderzoek bepaalt of er wel of geen amputatie en/of aanvullende behandeling met medicijnen nodig is. Het vanzelfsprekende voordeel van de borstsparende behandeling is dat een deel van de borst behouden blijft. De vorm en kleur van de borst kunnen door de intensieve behandeling wel enige verandering vertonen, in vergelijking met de andere borst.

voor een beeldverslag van een borstsparende operatie met schildwachtklierprocedure klik hier

 

Borstamputatie

Bij een borstamputatie wordt de gehele borst verwijderd. Soms kan het noodzakelijk zijn een gedeelte van de borstwandspieren mee te verwijderen met de bedoeling het gezwel ruim uit te nemen. Meestal kan de bestraling achterwege blijven. Bij een amputatie wordt alleen indien nodig een aanvullende behandeling met bestraling gegeven.

Een borstamputatie is onder andere aangewezen als het gezwel te groot is in verhouding tot de grootte van de borst. In dat geval zou het cosmetisch resultaat van de borstsparende therapie ook teleurstellend zijn.

Als er meerdere gezwellen in de borst zijn, of als er uitgebreide uitlopers van borstkankercellen zijn, dan is er een verhoogd risico dat na borstsparende behandeling het gezwel weer in de borst uitgroeit. Daarom wordt ook dan geadviseerd om een amputatie te verrichten. De groeiwijze van de tumor is soms ook een reden om tot een borstamputatie over te gaan.

Na een borstamputatie kunt u een reconstructie van de borst overwegen. Er zijn verschillende manieren waarop de plastisch chirurg de reconstructie kan uitvoeren. Deze kan direct of op een later tijdstip uitgevoerd worden. U kunt via uw chirurg advies vragen aan de plastisch chirurg. Zie ook het hoofdstuk ‘Borstprothese en Borstreconstructie’ in het boekje ‘Nazorg & Controles’ dat u op de afdeling chirurgie krijgt uitgereikt.

voor een beeldverslag van een borstamputatie met schildwachtklierprocedure klik hier

Keuzemogelijkheid

De chirurg zal u een borstsparende operatie of amputatie adviseren afhankelijk van het type en de grootte van de tumor in verhouding tot de grootte van uw borst. Als beide operaties mogelijk zijn, maakt u zelf de keuze. Als de chirurg u voor deze keuze stelt, dan maakt het voor uw gezondheid niet uit welk type operatie (borstsparend of amputatie) u kiest. De kans op genezing is in beide gevallen even groot.

Wel is het verstandig om u eerst goed te laten informeren. Daarom krijgt u voorafgaand aan de operatie een gesprek met de chirurg, internist-oncoloog en de nurse practitioner mammacare/mammacare-verpleegkundige. Ook een eventuele ‘second opinion’ kunt u bespreken met uw chirurg. Neem de tijd voor uw beslissing. Het maakt niet uit of u op een iets later tijdstip wordt geopereerd, bijvoorbeeld een week of twee later. Als u nog niet weet wat u wilt of wanneer u na wilt denken over uw keuze, is het beter om een extra afspraak te maken om uw keuze te bespreken.

Verwijdering van de lymfeklieren

Vanuit elk gebied in de borst loopt een eigen lymfestroom naar lymfeklieren rond de borst, meestal in de oksel gelegen. Ook het gebied waarin de tumor zich bevindt heeft een eigen lymfestroom. Om te onderzoeken of er uitzaaiingen zijn, zullen een of alle lymfeklieren uit de oksel aan dezelfde kant (meestal via een aparte snee) worden weggenomen. Er bestaan twee mogelijkheden. De specialist bespreekt met u voor welke behandeling u in aanmerking komt.

Schildwachtklier (SWK)

Dit is  een methode waarbij het weefselonderzoek van de lymfklieren zonder totale verwijdering gedaan kan worden; de zogenoemde schildwachtklier (ofwel sentinel node)-biopsie.

De SWK is de lymfklier die als eerste in de lymfe aanwezige cellen (afkomstig van het borstkankergezwel) uit het lymfevocht filtert. Als de SWK deze kwaadaardige cellen niet bevat, bevinden deze zich zo goed als zeker niet in de overige oksellymfklieren. In die situatie kan volstaan worden met deze SWK-procedure. De overige klieren blijven behouden. U hoeft dan ook niet op te passen met het meten van uw bloeddruk en het prikken in uw geopereerde arm.

Met deze procedure wordt bij aangetoonde kankercellen in de SWK duidelijk of alsnog een okselkliertoilet noodzakelijk is. 

Klik hier voor een beeldverslag van een borstsparende operatie met SWK procedure.

 

Het opsporen van de schildwachtklier

Het opsporen van de SWK wordt voor de operatie gedaan. Dit gebeurt in samenwerking met de afdeling Nucleaire Geneeskunde van het Zaans Medisch Centrum (ZMC) in Zaandam omdat deze afdelingen in speciale ‘bunkers’ staan en volgens landelijke voorschiften op afgesproken afstand van elkaar. Hierdoor beschikt niet ieder ziekenhuis over deze afdeling. Het is prettig als een van uw naasten u vervoert en begeleidt naar ziekenhuis ‘De Heel’. Indien dit niet mogelijk is dan kan een taxi voor u geregeld worden. U dient dit wel van tevoren aan te geven bij de verpleegkundige op de afdeling chirurgie.

Om de plaats op te kunnen sporen wordt een kleine hoeveelheid licht radioactief eiwit in de buurt van de tumor ingespoten. Deze stof wordt met de lymfestroom vervoerd naar de lymfklieren in de oksel en vervolgens uitgefilterd door een of twee lymfklieren. Deze lymfklieren zijn de schildwachtklieren die ook de eventueel vervoerde tumorcellen uitgefilterd hebben. Nadat de injectie is ingetrokken, kan dankzij de radioactieve ophoping de SWK gemakkelijk met een soort ‘geigerteller’ opgespoord en zichtbaar gemaakt worden. Op deze plaats wordt een een kruisje gezet, zodat de chirurg weet waar hij zijn incisie moet maken. Vervolgens wordt er een foto van dit gebied gemaakt.

Radioactiviteit

De hoeveelheid radioactiviteit is zeer gering en is in het geheel niet nadelig voor uw gezondheid. De ingespoten radioactieve stof is dus ook niet gevaarlijk voor de mensen om u heen. De radioactiviteit neemt zeer snel af, na ongeveer twee dagen is er weer een normale situatie. Behalve de injectie die uiteraard enige pijn geeft, zijn er geen bijwerkingen. 

Als de schildwachklier niet gevonden kan worden

Wanneer de SWK niet gevonden kan worden, om welke reden dan ook, zal een okselkliertoilet uitgevoerd moeten worden. De chirurg komt dan voor de inleiding van de operatie met u praten.

Tijdens de operatie

De voorgaande procedure in het  Zaans Medisch Centrum wordt tijdens de operatie herhaald (u bent dan onder narcose). Dit keer niet alleen met een geigerteller, maar ook met een blauwe kleurstof, zodat tijdens de operatie de SWK blauw opkleurt. Als de schildwachtklier is gevonden, dan wordt deze weggenomen en onderzocht. De eventuele blauwe verkleuring van de huid en de urine is meestal tijdelijk, maar plaatselijke huidverkleuringen kunnen een jaar of langer zichtbaar blijven.

Klik hier voor een beeldverslag van een borstsparende operatie met SWK procedure.

Het weefselonderzoek

De patholoog anatoom onderzoekt na de operatie nauwkeurig al het verwijderde weefsel op aanwezigheid van tumorcellen. In een aantal gevallen worden bij dit onderzoek tumorcellen in de SWK gevonden. Indien er kwaadaardige cellen worden gevonden, wordt in tweede instantie een okselkliertoilet verricht. Worden er geen tumorcellen in de schildwachtklier gevonden, dan kunnen de andere okselklieren worden gespaard.

Okselkliertoilet

Hierbij worden alle lymfklieren in de okselholte weggenomen. Zij worden vervolgens onderzocht op de aanwezigheid van kwaadaardig weefsel. Na een okselkliertoilet moet u altijd rekening houden met de complicatie lymfoedeem (dit is een ophoping van vocht, meestal in de arm, ten gevolge van de verstoring van de lymfeafvloed, die kan ontstaan door de verwijdering van de lymfklieren), waardoor u wat beperkt wordt in uw bewegingsvrijheid en u met enkele leefregels rekening moet houden. U dient b.v. voorzichtig te zijn met het laten prikken in uw geopereerde arm voor infusen en dergelijke. 
Voorafgaand aan de operatie wordt de omvang van beide armen opgemeten door de nurse practitioner mammacare of mammacare verpleegkundige, zodat eventueel later het ontstaan van lymfoedeem kan worden opgespoord.
Meer informatie hieroverf leest u in het boekje 'Nazorg en controles'.

De ziekenhuisopname

Opnameduur

De opnameduur is afhankelijk van de ingreep die gedaan wordt en van uw persoonlijke situatie. Overleg met de chirurg of verpleegkundige hoe lang uw opname ongeveer zal duren. Om u een indicatie te geven:

Borstsparende operatie met schildwachtklierprocedure: dagopname- 1 nacht.
Borst amputatie met schildwachtklierprocedure: 1-2 nachten
Operatie met okselkliertoilet: 1-2 nachten . Ook is het mogelijk om na 1 nacht met drain naar huis te gaan; deze wordt dan de volgende dag op de polikliniek verwijderd.
 

Preoperatief gesprek met nurse practitioner (NP) mammacare of
mammacareverpleegkundige

Tijdens dit gesprek met één van beiden wordt u verder geïnformeerd over de operatie en heeft u de gelegenheid om alle vragen te stellen.

Hierbij komen o.a. de volgende punten aan de orde:

Dit gesprek wordt genoteerd in het verpleegkundig dossier, dat ook tijdens de opname wordt bijgehouden. U wordt geïnformeerd over het verwachtte tijdstip van operatie en terugkomst op de afdeling. 

 

De preop-poli

Tijdens een polikliniekbezoek kort voor uw opname spreekt u een aantal hulpverleners. Hieronder staat aangegeven wie dat zijn en wat zij met u bespreken:

De anesthesist:

Voorafgaande aan de operatie krijgt u via de anesthesist informatie over:

 de anesthesist beoordeelt uw algehele conditie aan de hand van een vragenlijst.

Verschillende aanvullende disciplines

Tijdens de opname krijgt u informatie en instructies van verschillende zorgverleners. Wanneer zij precies langs komen is niet van te voren te zeggen, omdat dit sterk afhangt van de dagen die u bent opgenomen.

Een van de  mammacare verpleegkundigen komt bij u langs.U kunt bij haar terecht voor alle vragen t.a.v de opname, de nazorg en het vervolgtraject.

De transferverpleegkundige komt eventueel bij u langs om afspraken te maken over de thuiszorg. Zij laat u weten of voor u hulp geïndiceerd is en zo ja wanneer precies de wijkverpleegkundige bij u thuis komt.

Dag 1. De opnamedag

De chirurg

Aan uw eigen specialist kunt u nog resterende vragen kwijt, bijvoorbeeld over:

de duur van de operatie; waar sneden worden gemaakt; het aantal drains, de termijn en de manier waarop drains worden verwijderd. Drains zijn slangetjes die tijdens de operatie worden aangebracht om het overtollige wondvocht af te voeren, wat opgevangen wordt in een flesje; het weefselonderzoek, de schildwachtklierprocedure en het okselkliertoilet.

Dag2. De operatiedag

Als u voor de schildwachtklier operatie in aanmerking komt, gaat u ’s ochtends eerst nog naar ziekenhuis Zaans Medisch Centrum. Zie hiervoor het hoofdstuk ’Operatie voor borstkanker’.

Vervolgens neemt de verpleegkundige uw bloeddruk, temperatuur en hartslag op en kunt u de operatiekleding aantrekken. Als het tijd is, brengt de verpleegkundige u naar de operatie-afdeling. Hier wordt u opgevangen door de anesthesieverpleegkundige die tijdens de operatie bij u blijft. Na de toediening van de medicatie door de anesthesist op de operatiekamer wordt u loom en slaperig.

Na de operatie wordt u wakker op de uitslaapkamer. Een verpleegkundige van de afdeling haalt u op en brengt u terug naar de afdeling waar de wond, de drain(s) en het infuus worden gecontroleerd en uw bloeddruk wordt opgemeten.

Om ervoor te zorgen dat uw arm zo prettig mogelijk ligt, wordt er zo nodig een kussen onder uw geopereerde arm gelegd. Na de operatie of de volgende dag, als u een beetje bent bijgekomen, komt de arts-assistent of een chirurg bij u langs en vertelt hoe de operatie is gegaan.

Om bloed en wondvocht weg te zuigen worden vaak één of twee dunne slangetjes (drains) in het operatiegebied aangebracht. De drain in de borstwond wordt de volgende ochtend  verwijderd. Dit is nagenoeg pijnloos. De drain in de okselholte mag na 24 uur verwijderd worden.

Dag 3 en verder

Indien nodig wordt 's morgens bloed geprikt om te controleren hoeveel bloed u heeft verloren. Het kan zijn dat u via het infuus bloed krijgt toegediend. Heeft u geen bloed nodig, dan wordt het infuus in de loop van de dag verwijderd als u zich goed voelt en niet misselijk bent. Na de visite van de chirurg zal indien nodig een verpleegkundige u helpen met wassen.

Er komt een moment dat de verpleegkundige u vraagt of u wilt dat het verband er af gaat of dat het nog even moet blijven zitten. Als het verband er af gaat dan kan dat een emotioneel moment voor u zijn, want dit is de eerste confrontatie met de wond en de beschadiging van uw lichaam. Ook kunt u schrikken doordat het wondgebied er minder mooi uit ziet door bloeduitstortingen, vochtophoping en hechtingen. Dit zal in de loop van de weken wegtrekken. Laat uw emoties de vrije loop, dat kan u opluchten en goed doen. De verpleegkundige verbindt de wond en de drain insteekplaatsen. Zij neemt de instructies van de wondverzorging en eventueel de drains met u door, liefst met een naaste erbij.

Als u een borstamputatie heeft ondergaan en u wilt een voorlopige prothese dragen, dan meet een verpleegkundige samen met u een voorlopige prothese aan. U krijgt de voorlopige prothese mee naar huis. Tevens ontvangt u informatie over de definitieve prothese en een machtiging voor de aanschaf van deze prothese, die u bij de prothesespecialist dient af te geven.

Met wonddrain naar huis

Indien nodig gaat u in overleg met de chirurg en NP-mammacare met drain naar huis. Mocht u thuis problemen hebben met de wond of andere zaken dan kunt u altijd contact met de verpleegkundigen op de afdeling of kliniek opnemen. Het telefoonnummer vindt u achterin dit boekje (zie verder instructie met wonddrain naar huis).

Seroomvochtpunctie

Nadat de drain(s) is/zijn verwijderd is het mogelijk dat de vochtproductie onder de oksel weer op gang komt. Het vocht moet weer op een natuurlijke manier zijn weg gaan vinden. Dat kan even duren en er kan dan een vochtophoping ontstaan. Heeft u last van deze vochtophoping, neem dan contact op met de polikliniekassistente van de chirurg in het ziekenhuis. Als het nodig is, wordt het vocht weggenomen met een spuit en naald (punctie). Er zal dezelfde of de volgende dag door de behandelend chirurg of een collega gepuncteerd worden. Deze punctie is meestal niet pijnlijk omdat de huid nog ongevoelig is. Deze seroomvorming kan tot ongeveer vier weken na de operatie voorkomen. U mag altijd bellen indien de vochtproductie teveel is geworden.

Armfunctie

Door de operatie is de arm aan de kant van de geopereerde borst iets stijf geworden. Is bij u een okselkliertoilet verricht, dan wordt een poliklinische controle bij de fysiotherapie van het Waterlandziekenhuis ongeveer een tot twee weken na ontslag voor u geregeld. Een week na de operatie krijgt u een polikliniekafspraak bij de fysiotherapeut/oedeemtherapeut. Zij bespreekt met u de gevolgen van de operatie voor het functioneren van uw arm en neemt een aantal oefeningen met u door. Ook de lymfoedeempreventie komt aan bod.

U wordt door de fysiotherapeut geadviseerd uw arm te oefenen. Het is van belang dat u de armoefeningen die u in het ziekenhuis leert, thuis voortzet. Probeer een tot vier keer per dag te oefenen. Forceer u zelf niet. Meestal is de functie van de arm en de schouder na enige maanden weer vrijwel normaal. 

Herstel van de wond

Om lymfeklieren in de oksel weg te kunnen halen is een aantal kleine huidzenuwen doorgesneden. Hierdoor zijn er, in de huid langs de wondranden en in de bovenarm, gebieden ontstaan waar een vreemd, weinig of geen gevoel meer is. Dit gebied wordt na verloop van tijd steeds kleiner en het gevoel komt deels weer terug. Het vreemde gevoel kan blijven bestaan. De plek rond de wond zal enigszins verkleurd of gezwollen zijn, maar dat trekt weg. Dit kan wel een jaar duren. Let bij de genezing op tekenen van infectie, zoals roodheid, zwelling, warmte en pijn. Bemerkt u één van deze tekenen of krijgt u koorts dan moet u direct een afspraak met uw huisarts, nurse practitioner mammacare of de chirurg maken.

Poliklinische afspraken

Ongeveer 7 tot 14 dagen na de operatie heeft u op de polikliniek een afspraak met de chirurg. Hij/zij vertelt u de definitieve uitslag (PA-uitslag) van het weefselonderzoek van de borst en de lymfeklieren. Hij/zij zal u uitleggen of u nabehandeld moet worden. Daarnaast zal hij/zij vragen of u vragen heeft en of u hulp bij het verwerkingsproces nodig heeft. Heeft u behoefte aan emotionele ondersteuning, dan zal NP mammacare of de specialist u verwijzen.

Ongeveer een week later staat een afspraak bij de internist-oncoloog gepland. Hij/zij zal u de eventuele nabehandeling uitleggen en afspraken hierover maken. U zult voor verdere uitleg hiervan verwezen worden naar de nursepractitioner oncologie.

Ook als bij u geen nabehandeling noodzakelijk is, gaat u alsnog naar de internist-oncoloog omdat deze u, samen met de chirurg, onder controle zal houden.

De NP-mammacare coördineert de zorg en zal er mede op toezien dat naast de medische zorg, aanvullende zorg op maat geregeld wordt. Ook in de follow-up speelt de NP-mammacare een belangrijke rol.­

Het weefselonderzoek

De PA-uitslag

Het borstklierweefsel en de lymfeklieren die tijdens de operatie zijn weggehaald worden op het pathologisch anatomisch (PA) laboratorium microscopisch onderzocht. Dit onderzoek is nodig om na te gaan of de tumor totaal is verwijderd, of bepaalde weefselkenmerken aanwezig zijn en of de lymfeklier(en) uit de oksel kankercellen bevat(ten).

De uitslagen van het microscopisch onderzoek van het verwijderd borstklierweefsel en de lymfeklieren zijn na 10 tot 14 dagen bekend en worden met u besproken. Naar aanleiding van deze uitslag kan een aanvullende behandeling zoals radiotherapie, hormonale therapie en/of chemotherapie worden geadviseerd. In dat geval ontvangt u nadere informatie.

Mocht uit het weefselonderzoek blijken dat de tumor niet ruim genoeg is weggehaald dan krijgt u het advies om nog meer borstweefsel weg te laten halen (als dit in uw geval mogelijk is) of om alsnog een borstamputatie te ondergaan. Blijken de lymfeklieren geen kankercellen te bevatten of zijn bepaalde weefselkenmerken gunstig, dan is er geen aanvullende behandeling met medicijnen nodig.

Multidisciplinaire bespreking

Het behandelplan wordt zowel voor als na de operatie in een speciale werkgroep besproken. Er is een mammateam-bespreking voor de operatie met daarin de chirurg-oncoloog, internist-oncoloog, NP-mammacare, NP-oncologie, radioloog en patholoog.

Na de operatie wordt de uitslag door dit team besproken met een chirurg, internist en radiotherapeut uit het VU Medisch centrum of het Antonie van Leeuwenhoekziekenhuis. 

Ook uw eigen huisarts wordt voor dit tweewekelijkse overleg (op maandag) uitgenodigd. Zij overleggen samen en stellen een verder behandelplan op.

 

Bestraling (radiotherapie) en behandeling met medicijnen

Bestraling

Indien u na uw operatie moet worden bestraald, wordt u naar een radiotherapeut (bestralingarts) verwezen. Deze bestraling vindt in principe in het VU Medisch Centrum te Amsterdam plaats.

Na een borstsparende operatie wordt vrijwel altijd bestraling geadviseerd, aangezien dit de kans op het opnieuw ontstaan van een kwaadaardig gezwel sterk verkleint. Indien u een borstamputatie heeft ondergaan, hangt het van een aantal factoren af (met name de uitslag van het weefselonderzoek en uitzaaiingen in lymfeklieren) of bestraling van de borstwand en de lymfekliergebieden wordt geadviseerd.

Voorafgaande aan de bestraling vindt een kennismaking- en informatiegesprek plaats met de radiotherapeut. Vervolgens stelt de radiotherapeut, aan de hand van eerdere gegevens (röntgenfoto's, operatie en de uitslagen van het weefselonderzoek) en van een lichamelijk onderzoek, samen met u een behandelplan op. Bij het lichamelijk onderzoek wordt vooral gekeken naar de operatie- en lymfekliergebieden, en de andere borst wordt gecontroleerd.

De radiotherapeut bespreekt met u waarom bestraling wordt geadviseerd, hoe het behandelschema eruit ziet en wat de bijwerkingen kunnen zijn. Verder wordt uitleg gegeven over de technische voorbereiding en de uitvoering van de bestraling.

Voorafgaand aan de bestralingen wordt een planningsscan gemaakt waarop de bestralingsvelden bepaald worden. De houding van de scan wordt met inkt op de huid aangetekend...

Bij een borstsparende behandeling bestaat de behandeling bij patiënten onder de 50 jaar veelal uit een serie van 25 bestralingen (ong. 5 weken) en bij patiënten boven de 50 jaar 15 bestralingen (3 weken). Als na een borstamputatie bestralingen volgen van de borstwand en eventueel de kliergebieden betekent dit meestal 15 bestralingen ongeacht de leeftijd. Tijdens de bestralingsbehandeling heeft u meestal een keer per week een afspraak met uw radiotherapeut, deze afspraak wordt gecombineerd met de bestraling van die dag. Deze beoordeelt hoe de behandeling verloopt en informeert of u last heeft van bijwerkingen. Tevens krijgt u, als dat nodig is, aanvullende informatie en antwoorden op uw vragen.

De meest voorkomende bijwerkingen van bestraling zijn: vermoeidheid, rood verkleuren van de huid in het gebied dat wordt bestraald, af en toe stekende pijn in de borst, zwaarte van de borst (doordat deze wat meer vocht vasthoudt) en tegen het einde van de bestralingsserie schilferen en/of vervellen van de huid. De bijwerkingen kunnen vanaf de tweede bestralingsweek optreden en zullen geleidelijk toenemen, de klachten kunnen in de eerste week na de laatste bestraling het hevigst zijn.

Na die periode zal de huid vrij snel genezen. Klachten als vermoeidheid, zwaarte en gevoeligheid van de borst en roodbruine kleur van de huid hebben meer tijd nodig om te verdwijnen. Tijdens de bestraling krijgt u advies over de verzorging van uw huid.

Hoe snel er bijwerkingen optreden en hoe snel die weer verminderen verschilt per persoon. In een aantal gevallen zullen blijvende veranderingen aan de borst voorkomen, zoals enige verkleuring van de huid en het wat vaster aanvoelen van de borst.

Indien u naast bestraling tevens chemotherapie krijgt, bespreken de internist-oncoloog en/of de radiotherapeut met u in welke volgorde de behandelingen worden gegeven. Hormoonbehandeling kan zonder bezwaar tijdens de radiotherapie worden gegeven.

Aanvullende informatie kunt u lezen in de KWF-folder 'Radiotherapie'. Ook krijgt u in het VUmc het boekje radiotherapie uitgereikt als u voor deze  behandeling in aanmerking komt.

Behandeling met medicijnen

Deze behandeling, ook wel systemische therapie genoemd, wordt gegeven om de kans op uitzaaiingen van kanker te verkleinen. Het is mogelijk dat kanker terugkeert als er op het moment van de operatie in het lichaam nog kankercellen aanwezig waren. Deze aanvullende behandeling met 'hormonaal actieve' medicijnen (hormonale therapie) of celdodende medicijnen (chemotherapie) of ‘celinactiverende’ medicijnen (immunotherapie) wordt gecoördineerd en begeleid door een internist-oncoloog en de np oncologie. Het is niet mogelijk om met deze aanvullende behandeling alleen borstkanker te genezen. Het grootste deel van uw (kans op) genezing wordt met de operatie behaald.

Hormonale therapie

Op dit moment is Tamoxifen (Nolvadex), dat als tablet wordt ingenomen, het meest gebruikte medicijn. Meestal moet men eenmaal per dag een tablet innemen gedurende 5 jaar. Bij vrouwen na de overgang worden ook andere hormoontabletten gegeven (aromataseremmers): Arimidex, Aromasin, Femara. Deze therapie wordt vaak gegeven aan vrouwen  die een hormoongevoelige tumor hebben. De internist-oncoloog of de np oncologie zal u hierover uitgebreide informatie verstrekken. Ook is het mogelijk om een afspraak op het spreekuur van de N.P.-oncologie aan te vragen.

De bijwerkingen van Tamoxifen zijn beperkt. De meest voorkomende bijwerking - het krijgen van 'opvliegers' - is tijdelijk. Andere mogelijke bijwerkingen kunnen zijn: verminderde eetlust, misselijkheid, braken, diarree, vaginale afscheiding of vaginaal bloedverlies, vermoeidheid, onrustgevoelens, enige gewichtstoename en het vasthouden van vocht. Bij aromataseremmers kunnen gewrichtspijnen aanwezig zijn. Ook is een combinatie van bijwerkingen mogelijk. Het is altijd mogelijk dat in uw geval voor een ander hormonaal medicijn wordt gekozen.

Chemotherapie

In sommige situaties wordt de chemotherapie voorafgaand aan de operatie gegeven. 
De aanvullende chemotherapie bij borstkanker bestaat uit 4 tot 6 kuren. Met een kuur wordt bedoeld: toediening van celdodende middelen (via een infuus en/of tabletten), gevolgd door een periode van rust (herstelfase). 
De chemotherapie wordt meestal op de afdeling dagbehandeling toegediend en wordt om de 3 á 4 weken herhaald. Voordat u aan uw eerste kuur begint, geeft uw eigen internist-oncoloog of de np oncologie u informatie over het toedienen van de chemotherapie en de mogelijke bijwerkingen. Hoewel chemotherapie nog steeds bijwerkingen heeft, zijn deze de afgelopen jaren steeds minder geworden.

Aanvullende informatie kunt u lezen in de KWF-folders 'Chemotherapie' en ‘Hormonale therapie bij kanker’. U krijgt het boekje ‘Behandelwijzer Chemotherapie’ uitgereikt als u voor deze behandeling in aanmerking komt.

Wetenschappelijk onderzoek

In het algemeen wordt aan patiënten de standaardbehandeling geadviseerd, dat wil zeggen de algemeen geaccepteerde behandeling die op dit moment beschikbaar is. Toch is het nodig om nieuwe behandelingen te ontwikkelen, omdat de standaardbehandeling bijvoorbeeld veel bijwerkingen heeft en/of het soort kanker niet voor 100% te genezen is. Artsen proberen met nieuwe behandelingen betere resultaten te krijgen. Hiervoor is wetenschappelijk onderzoek nodig. Door middel van een dergelijk onderzoek wordt onderzocht of de nieuwe behandeling effectief is en wat de waarde van de nieuwe behandeling is ten opzichte van de standaardbehandeling. Bij onderzoek met nieuwe geneesmiddelen zijn er drie opeenvolgende stadia van ontwikkeling.

Fase I (bijwerkingen)

Hierbij wordt gezocht naar de optimale dosering van het nieuwe middel of een combinatie van middelen. Meestal is in dit stadium nog niet veel bekend over de effecten die het middel of de combinatie bij patiënten teweeg brengen. Kleine groepjes patiënten krijgen steeds een iets grotere hoeveelheid ervan toegediend en er wordt vooral gelet op het optreden en de ernst van de bijwerkingen. Het doel van dit type onderzoek is om de dosering en het schema te kunnen bepalen waarin de beste resultaten optreden.

Fase II (werkzaamheid)

Hierbij wordt onderzocht of het nieuwe middel of de nieuwe combinatie van middelen werkzaam is. Er wordt heel precies gemeten of de tumor en/of uitzaaiingen kleiner worden door de behandeling. Daarnaast wordt er zorgvuldig op gelet of de patiënt de nieuwe behandeling kan verdragen. Vooraf is niet te zeggen of het nieuwe medicijn of de combinatie betere resultaten oplevert. Is dit wel het geval dan volgt fase III.

Fase III (beter of slechter dan standaard)

Bij dit onderzoek worden de resultaten van twee groepen patiënten vergeleken. Dit wordt een trial genoemd. De ene groep krijgt de gebruikelijke behandeling waarvan de effecten bekend zijn. De andere groep krijgt een nieuwe behandeling waarvan mogelijk betere resultaten of minder bijwerkingen worden verwacht. Als een patiënt een behandeling in een dergelijk onderzoeksverband wordt voorgesteld, hebben noch de patiënt noch de arts invloed op het type behandeling dat de patiënt krijgt. Het lot bepaalt in welke behandelgroep de patiënt terechtkomt.

Voorwaarden

Toediening van nieuwe middelen mag uitsluitend onder streng gecontroleerde voorwaarden plaatsvinden. De overheid heeft wettelijk medische en ethische regels vastgelegd voor de kwaliteit van het onderzoek en de onderzoekers. In een onderzoeksprotocol wordt precies omschreven hoe het onderzoek zal worden uitgevoerd en aan welke kenmerken de patiënten moeten voldoen, bijvoorbeeld ten aanzien van leeftijd, ziektegeschiedenis of eerdere behandeling.

Elke behandeling in het kader van wetenschappelijk onderzoek wordt voorgelegd aan een medisch-ethische commissie in het ziekenhuis waar het onderzoek plaatsvindt. Hierin zijn specialisten en verpleegkundigen van verschillende disciplines uit het ziekenhuis vertegenwoordigd. Zij beoordelen of een behandeling ethisch en wetenschappelijk verantwoord is.

Als u wordt gevraagd aan wetenschappelijk onderzoek mee te werken, geeft de behandelend specialist, de N.P.-mammacare of N.P.-oncologie u informatie hierover, zowel mondeling als schriftelijk. Deelname aan een behandeling in onderzoeksverband is altijd op vrijwillige basis. Indien u niet deelneemt, heeft dit beslist geen gevolgen voor uw behandeling en begeleiding. U kunt uw medewerking aan het onderzoek op elk moment opzeggen.

Aanvullende informatie over wetenschappelijk onderzoek kunt u lezen in de KWF-folder 'Wetenschappelijk Onderzoek bij patiënten met kanker'.

Alles voor u nog eens op een rij

Hieronder staat vermeld welke zorgverlener in deze fase voor welke informatie verantwoordelijk is. Als u bepaalde informatie niet gehad heeft, kunt u in de lijst hieronder zien bij wie u hiervoor alsnog terecht kunt. Komt u er niet uit of weet u niet precies bij welke hulpverlener u voor uw specifiek probleem terechtkunt, neem dan contact op met de np mammacare, de mammacare verpleegkundige of de np oncologie.

Hulpverlener

Soort informatie

Bereikbaarheid

Huisarts

medische vragen

 

Chirurg

controle

0299-457-640 (via poliassistente)

Medewerker polikliniek chirurgie

afsprakenpolikliniek

0299-457-640 

Nurse practitioner mammacare of
mammacareverpleegkundige

Aanvullende informatie betreffende de behandeling, borstprothese

Maandag,woensdag, donderdag 0299-457426
Tel. Spreekuur:
Ma: 
8.30 – 9.00 uur

12.00-12.30 uur
Do: 
8.15- 8.45 uur
12.00- 12.30 uur E-mail:mammacare@wlz.nl

Nurse practitioner oncologie / gespecialiseerde oncologie verpleegkundige

alle vragen t.a.v. oncologische behandelingen, nazorg en wetenschappelijk onderzoek

Ma  t/m vrijdag
0299-457-476 /457-378

E-mail:oncologischevragen@wlz.nl

 

Researchcoördinator oncologie

bij behandelingen  voor wetenschappelijk onderzoek

(0299) 457471

Afdeling therapeutische zorg
Fysiotherapeut ziekenhuis

Armfunctie en lymfoedeem

0299-457630
Bij voorkeur tussen 09.45 – 10.15 en15.30 – 15.45 uur.

Afdeling psychosociale zorg (Maatschappelijk werkster en Psycholoog)

Psychische hulpverlening voor patiënt, partner en kinderen

0299-459-243 (via secretaresse)

Borstkanker Vereniging Nederland (BVN)

Ervaring en steun van lotgenote

Churchillaan 11, 2e etage,
3527 GV Utrecht
Postbus 8065, 3503 RB Utrecht
secretariaat: 030-2917222 van 9.00 - 12.30 en 13.00 - 15.30 uur
fax: 030-2917223
email:info@borstkankervereniging.nl

Lotgenotentelefoon BVN

Ervaring en steun van lotgenote

030-2917220

Iedere werkdag voor een gesprek met een lotgenote.
Contactpunt Jonge Vrouwen specifieke vragen van jonge vrouwen

030-2917220

Op donderdagavond
Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenverenigingen (NFK) individueel lotgenotencontact

Churchillaan 11 (15e etage)3527 GV Utrecht
030-2916090
www.kankerpatient.nl

Voorlichtingscentrum KWF Kankerbestrijding

Vragen over kanker van meer algemene aard of als u voor uw bezoek aan de arts eerst eens met iemand anders over uw vragen wilt praten.

0800-0226622
www.kwfkankerbestrijding.nl
0800-0226622.

laatst bijgewerkt 13-03-10

terug / entree