BLOEDTRANSFUSIE

printversie 

Inleiding

Deze folder geeft informatie over het toedienen van bloed (bloedtransfusie). Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven. 

Waarom een bloedtransfusie?

Een bloedtransfusie wordt door uw arts voorgeschreven als dat voor de behandeling noodzakelijk is. Uw arts doet dit echter niet zonder uw toestemming (tenzij er een acute situatie is). Om u te helpen een weloverwogen keuze te maken, zal uw arts u vooraf inlichten over:

Hoe veilig is een bloedtransfusie?

Om bloedtransfusies zo veilig mogelijk te maken, worden de volgende maatregelen genomen:

Wanneer blijkt dat het bloed mogelijk besmet is, dan wordt het vernietigd. Toch blijft er - ondanks alle voorzorgen - een zeer kleine kans bestaan op besmetting door de bloedtransfusie (zo is de kans dat een eenheid bloed besmet is met HIV kleiner dan één op een miljoen).

Het kan zijn dat de bloeddonor nog maar kort geleden werd besmet. In zijn bloed kan de aanwezigheid van de ziekteverwekker dan nog niet worden aangetoond.

Ook is het mogelijk dat de hoeveelheid virus in het bloed zo gering is, dat het niet kan worden aangetoond met een bloedtest. Tevens kan het gebeuren dat er virussen in het bloed zitten, die we nog niet kennen of waarop om andere redenen niet getest wordt. 

Past het donorbloed wel bij u?

Het bloed dat iemand toegediend krijgt moet bij hem of haar 'passen'. Daarom nemen wij bloed bij u af om uw bloedgroep en rhesusfactor vast te stellen. Sommige mensen hebben afweerstoffen tegen bloedcellen van anderen in hun bloed. Deze stoffen kunnen aanwezig zijn na een zwangerschap of vroegere bloedtransfusie. Indien dat het geval is kan het langer duren voor dat er 'passend' bloed wordt gevonden.

Vlak voordat u een bloedtransfusie krijgt, zal de verpleegkundige nogmaals controleren of het bloed van de donor inderdaad voor u bestemd is. 

Bijwerkingen van de bloedtransfusie

Bij ontvangers van het donorbloed kan een allergische reactie optreden. Dit komt echter niet vaak voor. Zo'n reactie is herkenbaar aan koorts, rillingen, galbulten, jeuk of een rode huid. Dit kan met medicijnen worden behandeld.

Soms vormen patiënten na een bloedtransfusie afweerstoffen tegen andermans bloedcellen.  Ook dit kan een reactie geven in de vorm van koorts. Deze reacties kunnen met medicijnen worden behandeld. In het laatste geval krijgt u een bloedgroepenkaartje met daarop de vermelding van dit gegeven. Dit moet u bij volgende bloedtransfusies altijd aan uw arts tonen. 

Een bloedtransfusie weigeren

U mag altijd een bloedtransfusie weigeren. Bedenkt u daarbij wel dat er in het algemeen weinig andere mogelijkheden zijn. Sommige operaties of behandelingen kunnen zelfs niet worden uitgevoerd zonder bloedtransfusie. Een bloedtransfusie weigeren betekent soms een groter risico voor uw gezondheid dan een bloedtransfusie ontvangen.

Bespreekt u uw twijfels ten aanzien van de bloedtransfusie tijdig met de arts die u behandelt. 

Een transfusie met uw eigen bloed

Als uw gezondheidstoestand dat toelaat, kunt u in aanmerking komen voor een zogenaamde "autologe transfusie".  Dit houdt in dat u vier tot zes weken voorafgaande aan een operatie uw eigen bloed laat afnemen om dit bij de operatie weer terug te krijgen.

Als u uw eigen bloed toegediend wilt en kunt krijgen, moet u in de maand voorafgaand aan de operatie één of twee maal naar de bloedbank om een halve liter bloed te laten afnemen. Tijdens de operatie of kort daarna kan het eigen bloed dan weer aan u worden teruggegeven. Wanneer u tijdens de operatie veel bloed verliest, is het niet uitgesloten dat aan u ook bloed van een donor moet worden toegediend.

Om voor een "autologe transfusie" in aanmerking te kunnen komen, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Uw algemene lichamelijke conditie en uw bloedgehalte moeten goed zijn, uw bloedvaten moeten geschikt zijn voor herhaalde bloedafnames en de testen op bloedoverdraagbare ziekten moeten over het algemeen negatief zijn. Tenslotte is het een vereiste dat de datum van de operatie ruim van tevoren vaststaat. 

Het is soms mogelijk om in het ziekenhuis, vlak voor de operatie, één liter bloed af te geven.  Het tekort aan bloed in uw lichaam wordt meteen aangevuld met een zoutoplossing.  Na de operatie krijgt u het bloed weer toegediend.  Deze methode kan alleen worden toegepast bij operaties met doorgaans weinig bloedverlies. 

Tenslotte is het bij sommige operaties met veel bloedverlies, zoals bij vaatoperaties, mogelijk dat het bloed dat uit het operatiegebied komt met een speciaal apparaat wordt opgezogen en vervolgens weer wordt teruggegeven. 

U kunt met uw behandelend arts of anesthesist overleggen of één van deze methoden voor u mogelijk is. 

Vragen

Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.

Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling, waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.

Tot slot

Bij het maken van deze folder is dankbaar gebruik gemaakt van nagenoeg een zelfde tekst van de gelijknamige folder van de Stichting Sanguine Bloedvoorziening. Deze Stichting zorgt er onder andere voor dat het een vanzelfsprekendheid is dat er bloed is wanneer u dat nodig hebt en ieder gezond mens tussen de 18 en 70 jaar kan bloeddonor zijn. 

Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag.

entree


TOESTEMMING VOOR EEN ONDERZOEK, BEHANDELING OF OPERATIE

printversie

Als u een onderzoek, behandeling of operatie moet ondergaan is het van belang dat u het daarmee eens bent. Dat lijkt een formaliteit, maar het is en blijft een serieuze aangelegenheid. Bespreek daarom vóór het onderzoek, de behandeling of de operatie al uw vragen en zorgen met uw arts of chirurg.  

Voor u is het van belang dat u de gang van zaken rond het onderzoek, de behandeling of de operatie voldoende hebt begrepen en of de voorlichting, die u daarover hebt gekregen, voldoende is geweest. Pas dan kunt u achter de beslissing staan en uw toestemming er voor geven. 

Niet iedereen zal alle specifieke details over de procedure rond een onderzoek, behandeling of operatie willen weten. Toch is het verstandig om goed geïnformeerd te zijn. Na een gesprek met uw arts of chirurg zou u eigenlijk een antwoord moeten weten op vragen als:  

Veel van deze vragen zullen al spontaan door uw arts of chirurg tijdens de voorlichting over het onderzoek, de behandeling of de operatie beantwoord zijn. Het is daarbij goed u te realiseren dat geen enkele arts of chirurg het resultaat van te voren volledig kan garanderen. Er zijn zo veel factoren, die een rol kunnen spelen. Zo is elke gebeurtenis weer anders en afhankelijk van lokale omstandigheden en reacties van elke individuele patiënt.  

Vragen

Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.

Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.

Tot slot

Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.

entree


FYSIOTHERAPIE

printversie 

Inleiding

Deze folder geeft u informatie over de fysiotherapie die u kreeg voorgeschreven. Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven.

Fysiotherapie

Voor vele soorten lichamelijke aandoeningen, onder meer van het steun- en bewegingsapparaat, kan de arts u fysiotherapie als ondersteunende behandeling voorstellen. Deze fysiotherapie richt zich primair op het herstel van functie en vaardigheden. De fysiotherapeut heeft daar verschillende behandelingsmogelijkheden voor. Om het gewenste resultaat te bereiken, zult u naast de tijd die de fysiotherapeut aan u besteedt, ook thuis regelmatig en geconcentreerd moeten oefenen

Klachten

Afhankelijk van de aandoening, uw klachten en de al dan niet ingestelde chirurgische behandeling, zal de fysiotherapeut met u een behandelingsplan opstellen.

Behandelingsmogelijkheden

De fysiotherapeut heeft meerdere behandelingsmogelijkheden ter beschikking. Zo zijn er vele vormen van oefentherapie en de fysiotherapeut kan met eigen handen bijvoorbeeld frictie, massage of manuele therapie toepassen om uw klachten te verbeteren. Ook met behulp van bepaalde apparatuur kan invloed worden uitgeoefend op uw herstel. 

Waar wordt de behandeling uitgevoerd?

Normaal gesproken maakt u zelf een afspraak voor behandeling in de praktijk van de fysiotherapeut van uw keuze. Slechts bij uitzondering zullen de eerste behandelingen door de fysiotherapeut bij u aan huis plaatsvinden. 

Machtiging

Voor fysiotherapie heeft u een verwijzing nodig van uw behandelend arts. Deze verwijzing dient tevens als machtiging voor de verzekering. De meeste verzekeringsmaatschappijen vergoeden 9 fysiotherapeutische behandelingen. Na overleg is aanvulling tot 18 behandelingen mogelijk.  

Mogelijke risico’s

In principe zijn er weinig risico's aan de fysiotherapeutische behandeling verbonden. 

Verwachtingen

Met de fysiotherapeutische behandeling wordt herstel van functie en vaardigheden nagestreefd. Of dat bereikt kan worden is natuurlijk afhankelijk van de aard van de aandoening en van de individuele mogelijkheden tot herstel. Vaak is geduld nodig. Het lichaam heeft tijd nodig om te herstellen, om te reageren op een nieuwe situatie of om zich aan te passen. Soms kan de opgelopen verwonding zo groot of de aandoening zo ernstig zijn, dat de functie van voorheen niet meer bereikt kan worden. Dit hoeft overigens niet altijd  te leiden tot invaliditeit, omdat het lichaam veel reserves bezit.  

Controle na de behandeling

Over het algemeen zal de arts, die u de fysiotherapie heeft voorgeschreven, ook het bereikte resultaat met u bespreken. Het zal daarbij voorkomen dat de fysiotherapeut u vraagt om een verslag over het bereikte resultaat aan uw behandelend arts door te geven. Daarnaast kan de fysiotherapeut tussentijds met de arts contact zoeken om vragen, die er naar aanleiding van de behandeling zijn gerezen, beantwoord te krijgen. In sommige gevallen kan ook worden afgesproken dat de fysiotherapeut u verder uitbehandelt. U komt dan alleen bij problemen of onvoldoende resultaat nog eens bij uw behandelend arts terug. Afhankelijk van de resultaten en de verwachtingen zal de behandeling gestopt of voortgezet worden. 

Tot slot

Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.

entree


WIE KUNT U AAN UW BED VERWACHTEN

printversie 

Inleiding

Tijdens uw verblijf op de Chirurgische Afdeling zult u niet alleen te maken krijgen met de chirurg die u behandelt, maar ook met andere medewerkers. Dat zijn onder andere verpleegkundigen, andere chirurgen, arts-assistenten, co-assisenten en fysiotherapeuten. 

Graag willen wij u hierbij kennis laten maken met al die personen, die bij uw behandeling betrokken kunnen zijn. 

Het team van chirurgen

Aan de afdeling chirurgie zijn 5 chirurgen verbonden. Al deze chirurgen hebben gekozen voor een nauwe samenwerking. Enerzijds om de kwaliteit ook 's avonds, 's nachts en tijdens de weekeinden te kunnen waarborgen, anderzijds om er voor te kunnen zorgen, dat iedere patiënt een zo optimaal mogelijke behandeling krijgt. Elke chirurg heeft daarom, naast zijn of haar algemene kennis en kunde, een of meerdere speciale aandachtsgebieden waar hij of zij zich in het bijzonder op toelegt. Voorbeelden daarvan zijn de vaatchirurgie (chirurgische behandeling van bloedvatafwijkingen), de oncologische chirurgie (chirurgische behandeling bij kanker) en de ongevalchirurgie. Dankzij het veelvuldig overleg dat zij met elkaar hebben, komt die speciale kennis en kunde ter beschikking van alle patiënten die op de afdeling chirurgie behandeld worden. 

De verpleegkundigen

De chirurgische patiënten worden gewoonlijk verpleegd op de afdeling A2.  Op elke afdeling werken naast een vaste staf van gediplomeerde verpleegkundigen ook een wisselend aantal leerling verpleegkundigen. Zonder de bijzondere inzet en zorg van de verpleegkundigen zou onze afdeling niet kunnen functioneren. Zij zijn tijdens uw opname de personen, waar u het meest mee te maken krijgt, zij zorgen voor u, verplegen u en staan het dichtst bij u. 

De arts-assistenten

Arts-assistenten zijn afgestudeerde artsen al dan niet in opleiding tot chirurg. Zij houden spreekuur op de polikliniek samen met één van de chirurgen. Op de verpleegafdeling hebben ze als 'zaal­arts' een gedeelte van de afdeling onder hun hoede en zijn direct verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken.

De arts-assistenten assisteren op de operatiekamer of opereren samen met één van de chirurgen. Arts-assistenten in opleiding tot chirurg opereren ook zelfstandig, geautoriseerd door de chirurgen. Dat wil zeggen dat zij daartoe bevoegd zijn na erkenning van hun bekwaamheid door de chirurgen.

Ook op de spoed opname / eerste hulp afdeling zijn arts-assistenten werkzaam. Zij zorgen daar voor de eerste opvang en behandeling van patiënten.

Arts-assistenten zijn een belangrijke vaste schakel tussen u en de behandelend chirurg. Zij zijn degene, bij wie u als eerste met uw dagelijkse vragen terecht kunt. Indien u direct contact wilt hebben met één van de chirurgen, is dat natuurlijk altijd mogelijk. U kunt dat aan de arts-assistent of de verpleegkundige vragen. Als een familielid van u een gesprek met de arts wil over uw situatie, dan kan dit familielid (met uw toestemming) via de verpleegkundige een afspraak maken met de arts-assistent.

De fysiotherapeuten

Tijdens het herstel na een operatie of na een ongeval kan de inbreng van de fysiotherapeuten van groot belang zijn.

Zij helpen u zonodig met de ademhaling als u daar problemen mee hebt, stimuleren u tot bewegen en zij oefenen waar nodig spieren en gewrichten. U zult hen dan ook veelvuldig bezig zien. 

De co-assistenten

De co-assistenten zijn medische studenten. Zij doen na een theoretisch gedeelte van hun opleiding op onze afdeling enige tijd praktisch gerichte ervaring op. Meestal verrichten zij een deel van het vooronderzoek. Het spreekt vanzelf, dat zij nog niet op al uw vragen een passend antwoord kunnen geven. 

Besprekingen in ziekenhuizen met een opleiding tot chirurg

Elke dag worden er in ziekenhuizen met een opleiding gezamenlijke besprekingen gehouden, waarbij nagenoeg alle beschikbare chirurgen, arts-assistenten en co-assistenten aanwezig zijn. Tijdens die besprekingen worden de opgenomen patiënten besproken en wordt het behandelingsplan kritisch bekeken en waar nodig bijgesteld. Ook bijzonderheden die tijdens de zaalvisite aan het licht zijn gekomen en uitslagen van aanvullend onderzoek komen indien nodig tijdens deze besprekingen aan de orde.

Daarnaast wordt van de patiënten die kortgeleden naar huis zijn gegaan gecontroleerd of de behandeling volgens plan verlopen is en of de poliklinische nazorg voldoende geregeld is. 

De dagelijkse ‘visite’

Dagelijks wordt er door een zaalarts samen met een verpleegkundige 'visite gelopen' langs de patiënten. Eén of meerdere co-assistenten lopen soms met de visite mee. Vaak komt ook één van de chirurgen bij u langs.

Tijdens het visite lopen komen allerlei praktische punten aan de orde, zoals dieet, het al of niet in bed blijven, de verzorging van de operatiewond, de eventuele noodzaak voor verder onderzoek en natuurlijk ook de datum van ontslag uit het ziekenhuis. Vanzelfsprekend kunt u tijdens de visite ook zelf vragen stellen over uw behandeling. 

Wel of geen ‘eigen’ behandelaar

De chirurg of arts-assistent die met u tijdens een eerder contact met de chirurgische afdeling een behandelingsplan heeft opgesteld is niet noodzakelijkerwijs degene die u zal opereren of verder zal behandelen. Het kan dus zijn dat een andere chirurg of een arts-assistent de operatie zal verrichten. Indien dit het geval is, zal u dit verteld worden en de betreffende operateur zal zich dan natuurlijk tevoren aan u voorstellen. 

Vragen

Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.

Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.

Tot slot

Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.

entree


 

POLIKLINISCHE INGREPEN ONDER PLAATSELIJKE VERDOVING

printversie 

Inleiding

Deze folder geeft u informatie over de gang van zaken bij een poliklinische ingreep. Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven.  

Een poliklinische ingreep

Voor een medisch probleem bent u bij de arts geweest en die heeft een poliklinische ingreep geadviseerd. Om maar een voorbeeld te noemen: u hebt een kleine zwelling in de huid en de arts heeft u voorgesteld die zwelling onder plaatselijke verdoving op een (poliklinische) operatiekamer te laten verwijderen.

Hoe de ingreep precies bij u zal worden uitgevoerd is afhankelijk van wat er bij u gedaan moet worden. De arts zal u dit voor of tijdens de ingreep vertellen. U kunt gerust vragen stellen. 

De plaatselijke verdoving wordt gegeven met behulp van één of meerdere verdovingsprikken rond het te behandelen gebied. Deze verdoving kan zo'n 30 tot 60 minuten aanhouden en na de ingreep kunt u dus al weer snel naar huis. 

Noodzakelijke voorbereidingen

Als u ziek of verhinderd bent

Wanneer u de gemaakte afspraak voor de poliklinische verrichting niet kunt nakomen, wilt u dit dan zo ruim mogelijk van tevoren even telefonisch doorgeven. Wellicht lukt het nog om een andere patiënt van de gereserveerde tijd gebruik te laten maken. 

Na de ingreep

Een wond wordt na de ingreep meestal gehecht. De hechtingen worden na de wondgenezing verwijderd. Het kan zijn, dat de arts u vraagt de hechtingen door de huisarts te laten verwijderen of dit wordt tijdens een poliklinische controle gedaan. Er wordt ook wel gebruik gemaakt van oplosbare hechtingen, die hoeven niet verwijderd te worden. 

Als de verdoving uitgewerkt is, kunt u wat pijnklachten hebben, waarvoor u pijnstillers als paracetamol kunt gebruiken. Deze zijn te koop bij apotheek en drogist en het is raadzaam om voor de ingreep al vast deze pijnstillers in huis te hebben. 

Afhankelijk van de ingreep kan het zijn dat het gebied rondom de plaats van de ingreep een paar dagen droog moet blijven. De arts zal u een advies daarover kunnen geven. Met enige improvisatie kunt u gerust douchen. 

Soms wordt het bij de ingreep verkregen weefsel opgestuurd voor pathologisch onderzoek. Na 7 tot 10 dagen is meestal de uitslag bekend en kunt u die vernemen van de arts,  wanneer u voor controle op de polikliniek komt. 

Mogelijke complicaties

Geen enkele ingreep is zonder risico’s. Gelukkig komen nabloedingen weinig voor, evenals infecties. Ook complicaties die specifiek bij een bepaalde ingreep kunnen voorkomen, treden gelukkig zelden op. 

Vragen

Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.

Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.

Tot slot

Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.

  entree

 


KWAADAARDIGE HUIDAFWIJKINGEN

printversie

Inleiding

Deze folder geeft u een globaal overzicht over de meest frequent voorkomende kwaadaardige huidafwijkingen. Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven. 

Algemeen

Kwaadaardige huidafwijkingen komen veel voor. De meeste ontstaan als gevolg van inwerking van ultraviolette (UV) straling uit zonlicht op de daarvoor gevoelige huid. Omdat het de huid betreft kunnen ze gelukkig in een vroeg stadium gezien, herkend en behandeld worden. De sterfte als gevolg van de kwaadaardigheid is dan ook gelukkig relatief laag, maar dat is ook afhankelijk van de aard van de huidaandoening. 

Het basalioom of het basaalcelcarcinoom

Het basalioom is de meest voorkomende kwaadaardige huidaandoening. Het ontstaat in de onderste cellaag van de opperhuid en overmatige blootstelling aan zonlicht of vroegere röntgenbestraling speelt een belangrijke rol.

Er zijn meerdere vormen van het basalioom. Het kan gaan om een glazig bultje op de huid of om een wondje wat maar niet wil genezen, herhaaldelijk opengaat of bloedt. 

Hoe ernstig is het?

Het basalioom zaait vrijwel niet uit en gedraagt zich daarmee betrekkelijk “vriendelijk”. Het kan wel plaatselijk doorgroeien, waardoor het gezonde weefsel kan worden aangetast. Behandeling is dus zeker nodig. 

Hoe kan het behandeld worden?

Over het algemeen verdient chirurgische excisie (verwijdering) de voorkeur. Er kan echter ook gekozen worden voor bestraling. Dit komt met name in aanmerking op plaatsen waar chirurgische verwijdering tot ongewenste cosmetische resultaten zou leiden (bijvoorbeeld op de neus of lip). 

Controle

Als het basalioom eenmaal is verwijderd, is het daarmee afdoende behandeld. Basaliomen kunnen echter op andere plaatsen opnieuw ontstaan en men moet dan ook alert blijven en zo nodig tijdig een arts raadplegen.

 

Het plaveiselcelcarcinoom (spinocellulair carcinoom)

Dit is een kwaadaardige woekering van de hoornvormende cellen in de huid (keratocyten) en deze tumor wordt dan ook vaak gekenmerkt door hoornvorming. Ook is ulceratie (zweervorming) mogelijk en bloedt de tumor makkelijk. De tumor heeft vaak een voorstadium van kleine hoornplekjes (zogeheten keratosis actinica) die makkelijk bloeden, vooral in het gelaat en op de handen. Dat zijn dus gebieden die veel aan zonlicht zijn blootgesteld. 

Hoe ernstig is het?

Het plaveiselcelcarcinoom kan uitzaaien. Vroege behandeling is dan ook belangrijk, want dan is de kans op uitzaaiing gering. 

Hoe kan het behandeld worden?

De behandeling bestaat ook hier uit chirurgische verwijdering (excisie) of bestraling, afhankelijk van plaats en grootte. Als er sprake is van vergrootte lymfklieren in de nabijheid van de tumor zullen deze onderzocht moeten worden op eventuele uitzaaiingen. Het kan op grond daarvan nodig zijn de behandeling nog verder uit te breiden. 

Controle

Ook als er geen aanwijzingen zijn voor uitzaaiingen, wordt controle in verband met de grotere kans daarop vaak aangeraden.

 

Het melanoom

Het maligne melanoom (kwaadaardige moedervlek) is een tumor die uitgaat van de pigmentcellen van de huid (melanocyten). Meestal ziet het eruit als een snel groeiende, makkelijk bloedende, bruinzwarte moedervlek, die soms jeukt of pijnlijk is en soms kan zweren.

Het onderscheid met een gewone moedervlek (naevus) kan lastig zijn. Vaak ontstaat een melanoom op een nieuwe plaats, maar ook een gewone moedervlek kan een kwaadaardigheid worden. Elke verandering van een moedervlek verdient dan ook grote aandacht. 

Hoe ernstig is het?

Het melanoom is een uiterst kwaadaardige huidtumor die aanleiding kan geven tot uitzaaiingen. Over het algemeen kan gesteld worden: hoe dunner de tumor bij microscopisch onderzoek, hoe beter de levensverwachting zal zijn, maar ook: hoe dikker de afwijking, hoe slechter de levensverwachting. 

Hoe kan het behandeld worden?

De behandeling is in principe chirurgisch, waarbij de afwijking voldoende ruim dient te worden verwijderd. Dat wil zeggen dat behalve het melanoom ook een rand gezond weefsel moet worden  verwijderd, om de kans dat er op die plek later weer een melanoom komt, zo klein mogelijk te maken. Meestal zal de procedure als volgt zijn. Eerst wordt een verdacht plekje verwijderd en microscopisch onderzocht. Wanneer daar de diagnose melanoom op wordt gesteld, volgt een tweede operatie, waarbij het litteken en het vorige operatiegebied ruim worden verwijderd (re-excisie).

Wanneer in de nabijheid van het melanoom een lymfeklier in de lies of oksel afwijkend aanvoelt, wordt deze ook onderzocht. Blijkt de lymfeklier een uitzaaiing van het melanoom te bevatten, en worden er elders in het lichaam geen uitzaaiingen gevonden, dan kan er besloten worden tot het verwijderen van alle lymfeklieren in de betreffende lies of oksel.

beeldverslag

Wanneer er geen verdachte lymfeklieren zijn en als de tumor dikker is dan 1mm, dan kan aanvullend onderzoek worden gedaan naar de lymfklieren via de zogeheten schildwachtklierprocedure. Omdat het nog niet duidelijk is of het verwijderen van de lymfeklieren voordeel op de langere termijn oplevert, wordt de schildwachtklierprocedure niet overal toegepast of alleen in onderzoeksverband toegepast. Hierbij wordt door inspuiting van een licht radioactieve stof en van een blauwe kleurstof die klier (of klieren) zichtbaar gemaakt, die als eerste een eventuele uitzaaiing van de tumor zou kunnen krijgen. Deze klier wordt verwijderd en onderzocht.

Zijn er geen uitzaaiingen en vertoont het verwijderde littekengebied geen tumor meer, dan is de behandeling voltooid. Zijn er wel uitzaaiingen in de lymfklier, dan volgen aanvullende onderzoeken en behandelingen.

Een melanoom is niet gevoelig voor bestraling. Als er sprake is van uitzaaiingen dan zijn er diverse behandelmogelijkheden met medicijnen, maar hiervoor geldt dat geen van deze behandelingen volledige genezing kan bewerkstelligen. 

Controle

Poliklinische controle na behandeling voor een melanoom vindt vrijwel altijd plaats. Hierbij wordt de patiënt volgens een schema meerdere jaren gecontroleerd.  

Vragen

Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.

Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling, waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.

Tot slot

Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.

 

entree


VERWIJDERING VAN DE SCHILDWACHTKLIER

printversie

Inleiding

Deze folder geeft u informatie over de procedure bij het verwijderen van een schildwachtklier. Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven. 

Achtergrond van deze behandeling

Bij de chirurgische behandelingen van sommige vormen van kanker (borstkanker, het melanoom als huidkanker) kan het van belang zijn om te weten of er uitzaaiingen zijn in de lymfeklieren in de oksel of de lies nabij de tumor. Wanneer er lymfeklieren te voelen zijn wordt er een zogenaamd lymfekliertoilet uitgevoerd, waarbij alle lymfeklieren in die oksel of lies worden weggehaald. Maar wanneer er een lymfekliertoilet wordt uitgevoerd terwijl er geen klieren zijn te voelen, dan komt het regelmatig voor dat na onderzoek van die lymfklieren er geen uitzaaiingen in de lymfeklieren blijken te zijn. Achteraf blijkt het weghalen van de lymfeklieren dan dus een overbodige ingreep te zijn geweest. Dat is jammer, want het verwijderen van de lymfeklieren kan aanleiding geven tot klachten, zoals:

Daarom is gezocht naar een methode om het onnodig verwijderen van de lymfeklieren te voorkomen en toch dezelfde informatie te krijgen over de aan- of afwezigheid van uitzaaiingen hierin. 

Nieuwe operatie techniek

Een nieuwe operatie techniek maakt het mogelijk de belangrijkste lymfeklier op te sporen, die via een lymfevat rechtstreeks in verbinding staat met het kankergezwel. Deze belangrijkste lymfeklier wordt de schildwachtklier, de poortwachterklier of in het Engels de ‘sentinel node’ genoemd. Zo’n klier wordt als eerste aangetast wanneer het gezwel zich gaat uitzaaien via de lymfebanen. Pas daarna worden de overige lymfeklieren aangetast. In de tekening wordt een voorbeeld gegeven van een mogelijke situatie bij borstkanker. 

In onderzoek wordt nog steeds de waarde van deze nieuwe behandeling onderzocht. Het lukt meestal om de schildwachtklier te vinden. Als bij microscopisch onderzoek geen tumorcellen in de verwijderde klier worden gevonden, worden ook in de andere lymfeklieren meestal geen uitzaaiingen gevonden. 

Bij een kleine groep patiënten – op grond van onderzoek neemt men aan bij minder dan 5% – wordt er toch een uitzaaiing gemist. Dat wil zeggen dat de schildwachtklier dan ‘schoon’ is, maar dat in andere klieren in de oksel of de lies dan toch tumorcellen voorkomen. Wanneer deze na verloop van tijd tot ontwikkeling komen, kan alsnog een lymfekliertoilet worden verricht, eventueel gevolgd door een aanvullende behandeling (medicijnen en/of bestraling).

Voor de behandeling van de kwaadaardige tumor zélf heeft de schildwachtklier procedure geen gevolgen. Het voordeel van deze beperkte operatie (alleen verwijderen van de schildwachtklier) is dat de eerder genoemde nadelen van het lymfekliertoilet nog maar bij een klein deel van de patiënten zullen optreden. 

Aangezien deze schildwachtklier procedure vrij nieuw is, wordt hij nog niet overal uitgevoerd en in veel ziekenhuizen alleen in onderzoeksverband.  

De procedure

Om de schildwachtklier te kunnen opsporen wordt een kleine hoeveelheid van een radioactieve stof met een injectie om het gezwel of de plaats waar het gezwel heeft gezeten, ingespoten. Dit gebeurt op de ochtend van de operatie of de middag ervoor. Deze vloeistof stroomt van het gezwel door het lymfevat naar de schildwachtklier. Na verloop van enige tijd kan men, door foto’s te maken (dit duurt ongeveer twee keer15 minuten), zien in welk gebied de schildwachtklier moet worden gezocht. Met een stift wordt deze plaats op de huid aangetekend. Dat er een klier zichtbaar wordt betekent niet dat er ook een uitzaaiing in de klier zal zitten, het is immers de schildwachtklier die nog onderzocht moet worden.

Bij de operatie wordt, nadat u in slaap bent gemaakt, een kleine hoeveelheid blauwe inkt om het gezwel – of op de plaats waar het gezwel heeft gezeten – ingespoten. Ook deze kleurstof stroomt via de lymfebanen naar de schildwachtklier. Deze kleurt nu blauw en is bovendien nog steeds radioactief. 

Bij de operatie kan de chirurg nu de schildwachtklier goed herkennen aan de blauwe kleur en aan de resterende radioactiviteit. De schildwachtklier wordt verwijderd; deze procedure neemt ongeveer een half uur tijd in beslag. 

Vervolgens kan indien nodig de geplande operatie voor het gezwel worden verricht, zoals dat tevoren met u is besproken. Het aangemerkte kliermateriaal wordt naar de afdeling Pathologie gestuurd voor microscopisch onderzoek, om vast te kunnen stellen of er uitzaaiingen zijn. 

Als deze niet worden gevonden, worden de overige lymfeklieren niet verwijderd. Wanneer er wel uitzaaiingen in de schildwachtklier worden gevonden dan zullen ook de overige lymfeklieren uit de oksel of lies worden verwijderd. 

Afhankelijk van de procedure van het microscopisch onderzoek in uw ziekenhuis zal dat lymfekliertoilet tijdens dezelfde of een volgende aparte operatie plaatsvinden. Bij een zogenaamde negatieve schildwachtklier (geen tumorcellen gevonden) blijft er een kleine kans dat er bij nader microscopisch onderzoek in de schilwachtklier toch tumorcellen zitten. Uw vooruitzichten lijken hierbij niet ongunstiger te zijn dan wanneer de lymfeklieren direct waren verwijderd.

Als het tijdens de operatie niet lukt om de schildwachtklier op te sporen, dan hangt het van de aard van het gezwel af wat de verdere procedure zal zijn. Bij borstkanker bijvoorbeeld zal er een standaard operatieve behandeling volgen, waarbij de lymfeklieren uit de oksel worden verwijderd, het zogenaamde okselkliertoilet. Bij het melanoom hangt het van de omstandigheden en de behandelingsafspraken in het ziekenhuis af wat de te volgen procedure dan zal zijn. 

Bijwerkingen

Van de radioactiviteit zijn geen bijwerkingen te verwachten. De hoeveelheid radioactiviteit die wordt toegediend geeft minder dan 25% van de natuurlijke stralenbelasting waaraan u in Nederland per jaar bloot staat. De blauwe kleurstof die tijdens de operatie wordt ingespoten kan er voor zorgen dat uw urine gedurende de eerste dagen na de operatie groen van kleur is. Ook kan het gebied waar de blauwe inkt is ingespoten enkele weken tot maanden blauw verkleurd blijven. 

Wat gebeurt er als u niets voelt voor deze nieuwe operatie techniek?

Als u niets voelt voor deze nieuwe lymfeklier sparende behandeling, dan zal een operatieve behandeling worden uitgevoerd zoals hierboven beschreven bij het niet kunnen opsporen van de schildwachtklier. 

Na de operatie

Soms wordt er na de schildwachtklierprocedure een drain in het wondgebied achtergelaten. Deze wordt zeker achtergelaten als er een lymfekliertoilet is verricht. Deze drain zal na enkele dagen worden verwijderd. Dit kan eventueel poliklinisch.

De definitieve uitslag van het microscopisch onderzoek duurt ongeveer 10 tot 14 dagen. Wanneer alsnog uitzaaiingen in de schildwachtklier worden gevonden, zal opnieuw een operatie nodig zijn waarbij de resterende lymfeklieren in de oksel of de lies worden verwijderd. 

Het ontslag

Bij ontslag krijgt u een afspraak mee voor de poliklinische controle. 

Vragen

Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan uw behandelend arts of huisarts.

Bij dringende vragen of problemen vóór uw behandeling kunt u zich het beste wenden tot de afdeling waar de behandeling plaats moet vinden. Wanneer zich thuis na de operatie problemen voordoen, neem dan contact op met de huisarts of het ziekenhuis.

Tot slot

Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag van u.

 

entree


POSTTRAUMATISCHE DYSTROFIE

printversie

Inleiding

Deze folder geeft u een globaal overzicht van de gang van zaken rond posttraumatische dystrofie. Het is goed u te realiseren dat voor u persoonlijk de situatie anders kan zijn dan beschreven. 

Wat is een posttraumatische dystrofie?

Posttraumatische dystrofie - ook wel ‘complex regionaal pijnsyndroom’ genoemd - is een aandoening die op kan treden na een letsel of een operatie aan een arm of been. Bij deze aandoening kunnen alle weefsels betrokken raken en het kan dan ook geduid worden als een abnormaal sterke reactie van het lichaam op een letsel of operatie.

De ontstaanswijze van posttraumatische dystrofie is nog niet goed bekend. In Nederland krijgen ca. 8000 mensen per jaar symptomen die wijzen op een posttraumatische dystrofie. Meestal begint dit symptomencomplex met snel optredende pijn, die op den duur lang kan aan houden (chronisch wordt). Opvallend is dat de pijn niet overeenkomt met de ernst van het letsel. 

De verschijnselen

Bij posttraumatische dystrofie kan de huidtemperatuur warm of koud zijn. De verschijnselen die kunnen optreden zijn:

Wanneer aan vier van de hiervoor beschreven verschijnselen wordt voldaan, kan de diagnose gesteld worden. Het aangedane gebied is veelal groter dan de oorspronkelijke plaats waar het letsel of  de operatie heeft plaatsgevonden.

Naast de hierboven genoemde verschijnselen kan ook nog  het volgende optreden:

De behandeling

Omdat niet goed bekend is hoe en waarom deze abnormale heftige reactie op een relatief gering letsel of operatie ontstaat, is er geen behandeling van voorkeur. Er zijn dan ook verschillende behandelingsvormen, die aangeboden kunnen worden.

In het algemeen kan men stellen dat ca. 80 à 90% van de patiënten met een posttraumatische dystrofie min of meer geneest; een deel zal restklachten blijven houden.

Is er nog onderzoek nodig?

Speciaal onderzoek is veelal niet nodig, omdat de diagnose aan de hand van het verhaal en de verschijnselen wordt  gesteld. 

Conclusie

Samenvattend kan vastgesteld worden dat een posttraumatische dystrofie nog een min of meer onbegrepen ziektebeeld is, dat optreedt na een relatief gering letsel of operatie. Over de behandelingsmogelijkheden bestaat geen algemeen heersende overeenstemming.

Omdat het ziektebeeld soms moeilijk te herkennen is en het optreden ervan soms tot dramatische situaties in iemands leven kan leiden, moet voorkomen worden dat patiënten met een posttraumatische dystrofie in een sociaal isolement komen. 

Patiëntenvereniging

Er is een ‘Vereniging van PTD patiënten’, die o.a. de belangen behartigt van patiënten met posttraumatische dystrofie (PTD) behartigen. Het adres is:

Nederlandse Vereniging van PTD Patiënten

Postbus 31157

6503 CD  Nijmegen 

Vragen

Heeft u nog vragen, stel ze gerust aan de arts. 

Tot slot

Deze folder werd samengesteld door de Commissie Voorlichting van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde. Daarbij is dankbaar gebruik gemaakt van reeds bestaand voorlichtingsmateriaal over dit onderwerp van de afdeling Chirurgie van het Universitair Medisch Centrum St. Radboud te Nijmegen. 

Bent u van mening dat bepaalde informatie ontbreekt of onduidelijk is, dan vernemen wij dat graag.

 

entree